MONUMENT-TAAL

Je hoort wel eens mensen zeggen: “De Statenvertaling, dat is een monument van de Nederlandse taal. Daar moet je niet aan gaan sleutelen. Die moet je laten zoals ze is.” Dat eerste is natuurlijk waar. De Statenvertaling is een monument van de Nederlandse taal. Een betrouwbare vertaling van de hand van geleerde en godvrezende mensen, die veel heeft betekend, zowel voor de kerk als voor onze taal.

Een monument, inderdaad. Als je door het Nederlandse landschap fietst kom je ze ook tegen: oude kastelen en landhuizen, soms eeuwen oud. Prachtig en indrukwekkend om naar te kijken. Maar om er in te wonen? Als zo’n gebouw niet op allerlei punten aangepast is aan de bouwkundige eisen van de tegenwoordige tijd valt dat niet mee.

En bovendien, de Statenvertaling mag dan een monument zijn, zij is niet gemaakt om alleen maar naar te kijken, integendeel. Deze vertaling is gemaakt om ten dienste te zijn van de kerk. Ze is gemaakt om te lezen, om te bestuderen, om eruit onderwezen te worden, om de Heere erdoor te leren kennen en om in die kennis en in het geloof te groeien, tot eer van God en voor het welzijn van anderen. Om de vergelijking met het monument nog even vast te houden: De Statenvertaling is niet gemaakt om een monument te worden, maar om ten volle te worden bewoond en benut.

En net zo min als een kasteel uit de zeventiende eeuw nu nog zondermeer bewoonbaar is, kan de Statenvertaling heden ten dage nog gebruikt worden zonder de nodige aanpassingen.

En er is al veel aangepast in de afgelopen eeuwen: Het schrift van de Statenvertaling is veranderd, de spelling is op diverse punten gewijzigd, en verscheidene woorden zijn in de loop der jaren al vervangen. Dat is echter niet genoeg.

Om kort te gaan, als de statenvertalers in deze tijd geleefd hadden, zouden zij met hun kennis van zaken op vele plaatsen tot andere keuzes zijn gekomen. Dit moet in alle nuchterheid geconcludeerd worden.

Zoals ik net al zei: de Statenvertaling is niet gemaakt om een monument te worden. De Heere heeft Zijn Kerk Zijn Woord toevertrouwd. De Kerk is daar rentmeester over. Zij heeft de verantwoordelijkheid daarover te waken en er ook voor te zorgen dat de boodschap van dat Woord onversluierd, helder en duidelijk voor de Kerk beschikbaar blijft. De Kerk moet met dat Woord aan het werk. De Heere heeft ons de Statenvertaling niet gegeven om haar in een zweetdoek gewikkeld te begraven zoals in de gelijkenis van de talenten. Ook de Statenvertaling is een gave waarmee gewoekerd moet worden. De sluier van de eeuwen moet er af.

En dat is een heel normale zaak. In mijn dagelijkse werk als vertaalconsulent in Afrika zie ik dat aan alle kanten gebeuren. Overal zie je hoe oudere vertalingen van tijd tot tijd weer herzien en opnieuw uitgegeven worden, aangepast aan de eisen van de taal. Zo blijft de vertaling van Gods Woord net zo helder en fris als dat Woord zelf. Gods Woord is tijdloos, maar een vertaling is dat niet.

Vandaag echter hebben we het voorrecht om een mijlpaal te mogen beleven. De eerste vleugel van een gerestaureerd monument. Het heeft niets van haar oorspronkelijke karakter en uitstraling verloren. Maar het is wel weer goed bewoonbaar geworden: de Herziene Statenvertaling.

Herziening

Als één van de vele vrijwilligers die aan dit project meegewerkt hebben is mij gevraagd om iets over de werkwijze van de herziening te vertellen.

Er zijn meerdere manieren om de Bijbel te vertalen. Je hoort tegenwoordig veel mensen praten over begrippen als brontekstgericht, brontaalgericht, doeltaalgericht, etc. Er zijn hedentendage diverse vertalingen van de Bijbel in het Nederlands beschikbaar, die vaak volgens verschillende vertaalmethoden tot stand zijn gekomen. Daarom kun je vertalingen als de Statenvertaling, de NBV en de Naardense Bijbel niet altijd gemakkelijk naast elkaar leggen en vergelijken. Deze drie vertalingen berusten namelijk op verschillende vertaalprincipes. Het enige wat je kunt doen is elke vertaling afzonderlijk op de onderliggende vertaalprincipes beoordelen. Daarnaast kun je natuurlijk ook je voorkeur hebben voor een bepaalde vertaalmethodiek.

Voor welke methode hebben de statenvertalers destijds gekozen? Deze staat bekend als de formeel-equivalente vertaalmethode. Het is een methodiek die aan de ene kant de structuur van de grondtekst nauwkeurig wil volgen, maar die aan de andere kant toch ook een duidelijke en leesbare Nederlandse tekst wil opleveren. Qua vertaalprincipes staat deze enigszins tussen die van de Naardense Bijbel en die van de Nieuwe Bijbelvertaling in.

Letterlijk?

Er zijn nogal wat misverstanden over de methodiek van de statenvertalers. Er wordt wel eens gezegd dat de Statenvertaling een 100% letterlijke vertaling is. Dat is echter niet waar. Dat zou ook niet kunnen en dat zouden de statenvertalers evenmin gewild hebben. Daarvoor wijkt de structuur van het Nederlands te veel af van die van de grondtalen. Als je de kanttekeningen erop naleest lees je talloze malen iets in de zin van “het Hebreeuws zegt dit” of “het Grieks zegt dat”, enkel en alleen om aan te geven dat een letterlijke vertaling niet mogelijk was.

Een voorbeeld: In Efeze 4:14 lezen we in de Statenvertaling de uitdrukking: “om listiglijk tot dwaling te brengen”. Dit is geen letterlijke vertaling van het Grieks. Daar staat namelijk: “tot de omleiding der dwaling”. De statenvertalers vonden dat blijkbaar niet helder genoeg en hebben het zelfstandige naamwoord omgezet in een werkwoord.

Aan de andere kant hadden de statenvertalers moeite met een vertaling als de Lutherbijbel. Die vond men veel te vrij en veel te doeltaalgericht. De statenvertalers kozen voor een vertaling die enerzijds zo dicht mogelijk bij de grondtaal bleef, maar waren aan de andere kant ook bereid om waar nodig concessies te doen ten behoeve van het Nederlands.

Ook in de herziening is dit vertaalprincipe recht overeind gebleven. Ook de HSV is de grondtekst op de voet blijven volgen zonder echter de verstaanbaarheid in gevaar te willen brengen. In principe wordt aan elk woordje in de grondtaal --voor zover mogelijk-- recht gedaan, soms met nog meer consistentie dan de oorspronkelijke versie.

Nu is er op de eerste deeluitgave op dat punt nogal wat kritiek geweest. In bepaalde publicaties is erop gewezen dat de tekst in bepaalde delen van de deeluitgave verder afweek van de grondtekst dan nodig en wenselijk zou zijn. Deze kritiek was ten dele terecht. Om daaraan tegemoet te komen zijn delen van de tekst nog eens helemaal doorgenomen en op veel van deze punten bijgesteld. De critici zouden er dus goed aan doen om van deze tweede deeluitgave kennis te nemen.

Concordant?

Een ander misverstand is dat de Statenvertaling een volledig concordante vertaling zou zijn, nl. dat elk grondwoord overal op dezelfde wijze vertaald zou zijn. Ook dat is geen juiste voorstelling van zaken. De statenvertalers wisten heel goed dat ook dat een onmogelijkheid is. De betekenissen van woorden in verschillende talen komen nooit voor de volle 100 procent overeen. Zelfs met kernbegrippen lukt dat vaak niet. Neem nu het Griekse woordje “sooizoo” wat één van de belangrijkste woorden van het Nieuwe Testament  is. De statenvertalers hebben dit 43 maal vertaald met “zaligmaken”, 41 maal met “behouden” en 11 maal met “verlossen”. Een ander voorbeeld: het woord “agapètos” is zeven maal weergegeven met “geliefde”, 3 maal met “beminde”, en 2 maal met de uitdrukking “die Hem lief was”. De statenvertalers hebben dus contextueel vertaald. Wel hebben ze zoveel mogelijk getracht om, waar dat qua Nederlands mogelijk was, dezelfde woorden te gebruiken.

De herzieners hebben zich aan het principe van de statenvertalers gehouden. Een groot aantal woorden is uitgebreid onderzocht. Er werden lijsten gemaakt van alle passages waar die woorden voorkwamen, en aan de hand daarvan werd bepaald welke zinsverband welke vertaling eiste. Hierbij werd in de lijn van de statenvertalers geprobeerd om het aantal equivalenten zo klein mogelijk te houden.

Daarbij zijn we ook regelmatig op verrassingen gestuit. Bij het inventariseren van het woord “dialogismos” merkten we dat dit woord, dat maar 14 maal in het Nieuwe Testament voorkomt door de statenvertalers op maar liefst zeven verschillende wijzen was weergegeven, nl. met “overleggingen”, “bedenkingen”, “gedachten”, “overdenkingen”, “samensprekingen”, “tegensprekingen” en “twisting”. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de statenvertalers dit woord over het hoofd gezien. Het bleek uiteindelijk vrij eenvoudig om dit aantal terug te brengen van zeven naar twee, namelijk: “overwegingen” en “meningsverschillen”. Zo zijn er meer plaatsen waar de consistentie van de HSV beter is dan die van de Statenvertaling.

Een ander onbegrijpelijk geval van inconsistentie vinden  we in de Tien Geboden. In Exodus 20:14 lezen we: Gij zult niet echtbreken. In Deuteronomium 5:18 staat echter: Gij zult geen overspel doen. Het in de grondtekst gebruikte woord is op beide plaatsen identiek. Waarom dan dit verschil? Het is moeilijk te verklaren. Vanwege het feit dat Exodus 20:14 in de liturgie zo’n bekende tekst is, heeft de HSV deze inconsistentie niet gecorrigeerd, maar met behulp van een voetnoot aangegeven wat er eigenlijk zou moeten staan.

Grondtekst

Een andere kwestie die in dit verband aan de orde moet komen is die van de gebruikte grondtekst. Hierbij is het verstandig om onderscheid te maken tussen het Oude en het Nieuwe Testament.

Wat het Oude Testament betreft zijn er geen grote problemen. De vondst van de Dode Zeerollen kort na de tweede wereldoorlog was weliswaar een gebeuren van groot belang, maar dit heeft betrekkelijk weinig gevolgen gehad voor de keus van de grondtekst voor het Oude Testament. De vondst van deze rollen heeft immers bewezen dat de Hebreeuwse tekst die de statenvertalers voor zich hadden op zich van een uitstekende kwaliteit was.

Er zijn een paar plaatsen in het Oude Testament waar we nu een betere grondtekst hebben, b.v. in Jesaja 53:11. De Statenvertaling heeft daar Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, [en] verzadigd worden. Inmiddels hebben de Dode Zeerollen aangetoond dat daar moet staan: Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het licht zien, [en] verzadigd worden. De uitdrukking “het licht zien” kan uitgelegd worden als “weer tot leven komen”. Hier wordt de voorzegging van de opstanding van de Messias uit de dood nog duidelijk door. Hier zal de HSV de gecorrigeerde grondtekst gebruiken.

Op een ander punt zal er ook hier en daar in de oud-testamentische grondtekst van de Statenvertaling ingegrepen moeten worden. De statenvertalers hebben op verscheidene plaatsen hun eigen Hebreeuwse tekst niet gevolgd maar zijn uitgeweken naar de Septuaginta. Op plaatsen waar het Hebreeuws wat moeilijk was en waar de Septuaginta een duidelijkere tekst had hebben zij vrij kritiekloos gebruik gemaakt van deze oude Griekse vertaling van het Oude Testament. Door onder andere de vondst van de Dode Zeerollen is echter gebleken dat de vertalers van de Septuaginta op veel plaatsen een andere, enigszins gepopulariseerde versie van de Hebreeuwse tekst voor zich hadden. Op grond daarvan is het gebruik van de Septuaginta niet altijd aan te raden. De herzieners zijn dan ook op sommige plaatsen waar de statenvertalers de Septuaginta volgden teruggekeerd naar de Hebreeuwse tekst. Een voorbeeld is Psalm 69:23. De Statenvertaling zegt daar: Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. De woorden “tot volle vergelding” zijn ontleend aan de Septuaginta. De HSV volgt hier de Hebreeuwse tekst: Laat hun tafel voor hen een strik worden en voor hun gasten een val.

Wat het Nieuwe Testament betreft ligt de zaak gecompliceerd. Zoals de meesten van u wel weten zijn er aan het einde van de 19e eeuw en daarna verscheidene nieuw-testamentische geschriften gevonden die ouder lijken te zijn dan de door de statenvertalers gebruikte Byzantijnse tekst. Als gevolg hiervan is er naast de Textus Receptus nu dus een andere, z.g. kritische tekst die op belangrijke punten afwijkt van de tekst die de statenvertalers voor zich hadden. De meeste moderne vertalingen van het Nieuwe Testament zijn op deze kritische tekst gebaseerd. Binnen de achterban van de HSV ligt deze kwestie echter gevoelig. Velen zijn er niet van overtuigd dat de kritische tekst inderdaad beter is dan de Textus Receptus. Anderen zijn bovendien van mening dat een herziening van de Statenvertaling gebaseerd moet zijn op dezelfde tekst als die waarvan de statenvertalers gebruik maakten. Daarom is de HSV gebaseerd op de Byzantijnse tekst, en wel de editie van Scrivener, uitgegeven door de Trinitarian Bible Society, de zusterorganisatie van de GBS.

Dit zou de tekst moeten zijn die de statenvertalers gebruikten. Of dit voor de volle honderd procent opgaat is echter de vraag. Er zijn verscheidene passages in het Nieuwe Testament waar de herzieners zich achter het oor moesten krabben omdat de Statenvertaling afweek van de Griekse tekst. Een voorbeeld is Mattheüs 7:24, waar de Statenvertaling spreekt over een voorzichtig man die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. De Griekse tekst spreekt duidelijk over “de steenrots”. De kritische tekst overigens ook. Op zo’n moment kun je je afvragen wat er precies aan de hand is. Hadden de statenvertalers een andere tekst of hebben zij het Griekse lidwoord gelaten voor wat het was? Het staat er niet voor niets en is exegetisch van belang. Het gaat hier niet om zomaar een willekeurige rots maar om de rotsbodem als fundament. De herzieners hebben het lidwoord hier wel vertaald. Zo zijn er meer tekstplaatsen  te noemen die laten zien dat er ook van de Textus Receptus verschillende versies in omloop waren.

Verbeteringen

En dan zijn er ook passages waarvan we niet anders kunnen concluderen dan dat de statenvertalers zich vergist hebben. Neem nu Genesis 47:11. Daar lezen we in de Statenvertaling: En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen. We zullen het woordje “bestellen”, dat tegenwoordig iets heel anders betekent, nu even buiten beschouwing laten. Het gaat nu om de woorden “Jakob en zijn broederen”. In het Hebreeuws staat er “zijn vader en zijn broers”. De King James Version heeft het hier wel correct vertaald. Ook zijn er geen tekstvarianten waar het anders staat. Waarschijnlijk een foutje dus.

Dat geldt ook voor Psalm 22:22. De Statenvertaling leest daar: Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen. Ik wil het nu niet over de “eenhoornen” hebben, waarvan we inmiddels wel weten dat die nooit bestaan hebben, maar over de gebiedende wijs van het werkwoord “verhoren”. Zo staat het namelijk niet in de grondtekst. Daar staat namelijk: Verlos mij uit des leeuwen muil en van de hoornen der eenhoornen (of, beter gezegd: de wilde ossen). Dan staat er als het ware een punt, gevolgd door de woorden: U hebt mij verhoord. Hier is een overduidelijke wending in de Psalm die de statenvertalers niet weergegeven hebben. Zij geven deze lezing overigens wel in de kanttekeningen als alternatief. Het is echter geen alternatief, maar de enige juiste weergave van de grondtekst. 

Zo zijn er meer plaatsen te noemen waar de herzieners kleine foutjes in de Statenvertaling hebben moeten corrigeren.

Ook komen we in de Statenvertaling nog regelmatig gevallen tegen waar de vertalers het Hebreeuwse grondwoord hebben laten staan omdat zij niet wisten wat het betekende. Zo lezen we in Leviticus 11:22 van de “solham”, de “hargol” en de “hagab”. In de kanttekeningen bij Leviticus 11 geven de statenvertalers aan niet te weten wat deze woorden betekenen, alleen dat het waarschijnlijk insecten zijn. Het eigenaardige is echter dat het woordje “hagab” ook in andere delen van het Oude Testament voorkomt, maar daar wel specifiek met “sprinkhaan” vertaald is.

En dan zijn er de tekstgedeelten waar de statenvertalers een grondwoord wel vertaald hebben, maar waar nieuw onderzoek heeft aangetoond dat die keuze niet juist was. De HSV maakt dankbaar gebruik van die nieuwe inzichten. Zo worden de konijntjes (Psalm 104:18) klipdassen, de spinnekop (Spreuken 30:28) een hagedis, de eenhoornen (Psalm 22:22) wilde ossen en de windhond (Spreuken 30:31) een haan. Het blijft overigens niet bij dieren. De “opgerichte beelden” en de “bossen” van Deuteronomium 7:5 worden achtereenvolgens “gewijde stenen” en “gewijde palen”.

Kanttekeningen of voetnoten

De eerste deeluitgave van de HSV bevatte geen voetnoten. De uitgave van vandaag hier en daar echter wel. Er zijn verscheidene plaatsen waar een al te letterlijke vertaling de duidelijkheid van de tekst zou schaden. Daar is gekozen voor een ietwat vrijere verwoording en is in een voetnoot aangegeven wat er letterlijk in de grondtekst of in de Statenvertaling staat. Een goed voorbeeld hiervan vinden we in Genesis 6:12. Daar lezen we in de Statenvertaling: “want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde”. Hoewel de HSV op veel plaatsen –zeker in het Nieuwe Testament– het woord “vlees” heeft laten staan, leek dat hier geen optie. De nieuwe deeluitgave heeft hier nu want alle schepselen hadden een verdorven levenswandel op de aarde”. Bij “schepselen” staat er nu een noot die aangeeft wat er letterlijk staat.

Een enkele keer is er ook een voetnoot gebruikt ter uitleg van een wat minder duidelijke passage. Zo moet Eliezer in Genesis 24:1 zijn hand onder de heup van Abraham leggen. In een noot wordt uitgelegd dat het hier om een plechtige wijze van eedzweren gaat.

Veel mensen hebben gevraagd of er ook een herziene editie van de kanttekeningen komt. Of dat ooit zal gebeuren is natuurlijk niet aan mij om te bepalen. Voorlopig hebben de hertalers hun handen echter meer dan vol aan de tekst van de Bijbel zelf. Eén ding is zeker: De kanttekeningen hebben bij de hertaling een belangrijke rol gespeeld. Mocht u bij het lezen van de HSV een passage tegenkomen die naar uw mening wat al te zeer afwijkt van de Statenvertaling, er is een goede kans dat het u, als u de kanttekeningen erop naslaat, duidelijk zal worden waarom!

Opmerkingen

Na de publicatie van de eerste deeluitgave zijn er zeer veel reacties binnengekomen. Verreweg de meesten daarvan waren positief getoonzet. Ook zijn er veel punten van opbouwende kritiek aangedragen. Daar is heel serieus mee omgegaan en een groot deel is al in de nieuwe deeluitgave verwerkt. Dat geldt overigens ook voor de minder opbouwende kritiek, die we ten dele uit publicaties en via anderen te horen kregen. Veel van de kritiek, uit welke hoek dan ook, is gehonoreerd voor zover dit binnen de vertaalprincipes van de HSV mogelijk was. Er zijn ook verbeteringen voorgesteld die ofwel te vrij waren ofwel in een minder heldere tekst zouden resulteren. Ook zijn er opmerkingen binnengekomen die uit tijdgebrek nog niet aan de orde zijn gekomen.

Ook aan deze tweede deeluitgave valt ongetwijfeld nog wel iets te verbeteren. Dit werk wordt voor het grootste deel door vrijwilligers in hun vrije tijd gedaan. U begrijpt de beperkingen die dat met zich meebrengt.

De laatste fase, die tot de definitieve uitgave van de hele Bijbel moet leiden, is inmiddels begonnen. We hopen en bidden dat dit monument van de Nederlandse taal over een paar jaar volledig gerestaureerd zal zijn, met hetzelfde karakter en dezelfde uitstraling als het oorspronkelijke gebouw. Niet alleen ter bezichtiging, maar vooral ook ter bewoning. Zou dat ook niet altijd de bedoeling van de statenvertalers zelf geweest zijn?

 

Reeuwijk, 9-12-2006