Titus 2
De brief van de apostel Paulus aan Titus

HSV

Christelijke levenswandel

1Maar u, spreek wat bij de gezonde leer past.

2De oudere mannen moeten beheerst zijn, eerbaar, bezonnen, gezond in het geloof, in de liefde, in de volharding.Het woord lijdzaamheid dat de SV hier gebruikt betekent vandaag de dag: stille berusting, gelatenheid. Het heeft dus nu nagenoeg dezelfde gevoelswaarde als lijdelijkheid. Dat is absoluut niet de betekenis en de bedoeling van het Griekse grondwoord hupomonè. Dat is de reden dat het woord lijdzaamheid in de herziening het veld heeft moeten ruimen. Het grondwoord betekent: geduld, volharding, uithoudingsvermogen, standvastigheid.

3Evenzo moeten de oudere vrouwen 1 Tim. 2:9; 1 Petr. 3:3in hun gedrag zijn zoals het heiligen past: 1 Tim. 5:13geen kwaadspreeksters, niet verslaafd aan veel wijn, maar leraressen van het goede,

4opdat zij de jongere vrouwen leren verstandig te zijn, hun man lief te hebben, hun kinderen lief te hebben,

5bezonnen te zijn en kuis, te zorgen voor hun huishouden, goed te zijn, Gen. 3:16; 1 Kor. 14:34; Efez. 5:22; Kol. 3:18; 1 Petr. 3:1hun eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd wordt.Het woord onderdanig heeft in deze tijd een meer psychologische lading dan in de 17e eeuw. Paulus geeft hier aan dat man en vrouw de eigen plek in moeten nemen die God hen bij de schepping heeft toebedeeld.

6Spoor evenzo de jongere mannen aan bezonnen te zijn.

71 Tim. 4:12; 1 Petr. 5:3Betoon uzelf in alles een voorbeeld van goede werken. Betoon in het onderwijs zuiverheid, waardigheid, oprechtheid,

8en spreek een gezond woord, boven alle kritiek verheven, 1 Petr. 2:12,15; 3:16zodat de tegenstander beschaamd zal staan en niets kwaads van u te zeggen heeft.

9Efez. 6:5; Kol. 3:22; 1 Tim. 6:1,2; 1 Petr. 2:18Vermaan de slaven dat zij hun eigen meester onderdanig zijn en dat zij hun in alles welbehaaglijk zijn, zonder tegen te spreken,

10dat ze niets ontvreemden, maar hun alle goede trouw bewijzen, opdat zij het onderwijs van God, onze Zaligmaker, in alles tot sieraad mogen strekken.

De zaligmakende genade van God

11Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen,

12en leert ons Efez. 1:4; Kol. 1:22; 2 Tim. 1:9de goddeloosheid en 1 Joh. 2:16de wereldse begeerten te verloochenen en in deze tegenwoordige wereld bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig te leven,

131 Kor. 1:7; Filipp. 3:20terwijl wij verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker, Jezus Christus.

14Gal. 1:4; 2:20; Efez. 5:2; Hebr. 9:14Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou vrijkopen van alle wetteloosheid en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, Efez. 2:10ijverig in goede werken.

15Spreek over deze dingen, bemoedig en wijs met alle gezag terecht. 1 Tim. 4:12Laat niemand u verachten.

SV

2

Voorschriften betreffende onderscheiden leeftijden en standen

1Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt.

2Dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid.

3De oude vrouwen insgelijks, 1 Tim. 2:9. 1 Petr. 3:3.dat zij in haar dracht zijn, gelijk den heiligen betaamt, dat zij 1 Tim. 5:13.geen lasteressen zijn, zich niet tot veel wijns begevende, maar leraressen zijn van het goede;

4Opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben;

5Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, Gen. 3:16. 1 Kor. 14:34. Efez. 5:22. Kol. 3:18. 1 Petr. 3:1.haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde.

6Vermaan den jongen mannen insgelijks, dat zij matig zijn.

71 Tim. 4:12. 1 Petr. 5:3.Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid;

8Het woord gezond en onverwerpelijk, 1 Petr. 2:12, 15. 3:16.opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen.

9Efez. 6:5. Kol. 3:22. 1 Tim. 6:1, 2. 1 Petr. 2:18.Vermaan den dienstknechten, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende;

10Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onzen Zaligmaker, in alles mogen versieren.

Waartoe de zaligmakende genade Gods verschenen is

11Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.

12En onderwijst ons, Efez. 1:4. Kol. 1:22. 2 Tim. 1:9.dat wij, de goddeloosheid en 1 Joh. 2:16.de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;

131 Kor. 1:7. Filipp. 3:20.Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;

14Gal. 1:4. 2:20. Efez. 5:2. Hebr. 9:14.Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, Efez. 2:10.ijverig in goede werken.

15Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst. 1 Tim. 4:12.Dat niemand u verachte.