1 Korinthe 5
De eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe

HSV

Zedeloosheid in de gemeente

1Men hoort algemeen dat er hoererij onder u voorkomt, en wel zo'n vorm van hoererij waarvan zelfs onder de heidenen geen sprake is, namelijk dat iemand Lev. 18:8; Deut. 27:20de vrouw van zijn vader heeft.

2En u doet zich zo gewichtig voor. Kunt u niet beter treuren, om dan hem die deze daad begaan heeft, uit uw midden weg te doen?

3Kol. 2:5Ik heb, hoewel afwezig met het lichaam, maar aanwezig met de geest, namelijk reeds besloten – alsof ik aanwezig was – om hem die dat zo gedaan heeft,

4in de Naam van onze Heere Jezus Christus, als u en mijn geest bijeengekomen zijn, in de kracht van onze Heere Jezus Christus,

51 Tim. 1:20over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden zal worden op de dag van de Heere Jezus.

6Uw roem is niet goed. Gal. 5:9Weet u niet dat een klein beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt?

7Verwijder dan het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers ongezuurd, want ook ons Jes. 53:7; Joh. 1:29; 1 Kor. 15:3Paaslam5:7 Paaslam - Letterlijk: Pascha. is voor ons geslacht: Christus.

8Laten wij dus Ex. 12:3,15feestvieren, niet met Deut. 16:3oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosaardigheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.

9Ik heb u geschreven in de brief Deut. 7:2; Matt. 18:17; 2 Kor. 6:14; Efez. 5:11; 2 Thess. 3:14dat u zich niet moet inlaten met ontuchtplegers.

10Echter, niet in het algemeen met de ontuchtplegers van deze wereld, of met de hebzuchtigen, of rovers, of afgodendienaars, want dan zou u uit de wereld moeten gaan.

11Maar nu heb ik u geschreven dat u zich niet moet inlaten met iemand die, terwijl hij een broeder wordt genoemd, een ontuchtpleger is, of een hebzuchtige, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover. Num. 12:14; Matt. 18:17; 2 Thess. 3:14; 2 Joh. vs. 10Met zo iemand moet u zelfs niet eten.

12Het is toch niet aan mij om hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u immers niet alleen hen die binnen zijn?

13Maar hen die buiten zijn, oordeelt God. Deut. 13:5En doe de kwaaddoener uit uw midden weg.

SV

De zedeloosheid in de gemeente te Korinthe

1Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een Lev. 18:8. Deut. 27:20.zijns vaders huisvrouw heeft.

2En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?

3Kol. 2:5.Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, alsof ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten,

4In den Naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus,

51 Tim. 1:20.Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.

6Uw roem is niet goed. Gal. 5:9.Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?

7Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Jes. 53:7. Joh. 1:29. 1 Kor. 15:3.Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

8Zo dan laat ons Ex. 12:3, 15.feest houden, niet in den Deut. 16:3.ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

9Ik heb u geschreven in den brief, Deut. 7:2. Matt. 18:17. 2 Kor. 6:14. Efez. 5:11. 2 Thess. 3:14.dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;

10Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.

11Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; Num. 12:14. Matt. 18:17. 2 Thess. 3:14. 2 Joh. vs. 10.dat gij met zodanig een ook niet zult eten.

12Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?

13Maar die buiten zijn oordeelt God. Deut. 13:5.En doet gij dezen boze uit ulieden weg.