1 Kronieken 4
Het eerste boek Kronieken

HSV

Nog meer nakomelingen van Juda

1De Gen. 38:29; 46:12; 1 Kron. 2:4zonen van Juda waren Perez, Hezron, Charmi, Hur en Sobal.

2Reaja, de zoon van Sobal, verwekte Jahath, en Jahath verwekte Ahumai en Lahad. Dit zijn de geslachten van de Zorathieten.

3Dit waren de zonen van Hur, de vader van Etam: Jizreël, Jisma en Jidbas. De naam van hun zuster was Hazelelponi.

4Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de zonen van Hur, de eerstgeborene van Efratha, de vader van Bethlehem.

5Assjur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Hela en Naära.

6Naära baarde hem Ahuzzam, Hefer, Temeni en Haähastari. Dit zijn de zonen van Naära.

7De zonen van Hela waren Zereth, Jezohar en Ethnan.

8Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de geslachten van Aharhel, de zoon van Harum.

9Jabez was van groter aanzien dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabez4:9 De naam Jabez wordt hier in verband gebracht met een werkwoord dat ‘leed veroorzaken’ betekent. genoemd, want, zei ze, ik heb hem met smart gebaard.

10Jabez riep de God van Israël aan: Als U mij rijk zegent en mijn gebied uitbreidt, Uw hand met mij is en U het kwaad van mij wegdoet,4:10 en U … wegdoet - Letterlijk: en U doet van kwaad. zodat het mij geen smart brengt … En God liet komen wat hij gevraagd had.Het Hebreeuws achter deze woorden is moeilijk. Letterlijk staat er: “en U doet (of: maakt) weg van kwaad”. De Statenvertalers moeten er al mee geworsteld hebben, ook al maken ze er geen melding van in de Kanttekeningen. Ze hebben namelijk het woordje “alzo” toegevoegd, zij het cursief. Daarbij hebben zij kennelijk geen rekening gehouden met het Hebreeuwse woordje “min” dat gewoonlijk “uit” of “weg van” betekent, en in de SV totaal niet tot zijn recht komt. Vandaar dat de HSV gekozen heeft voor een lezing die meer recht doet aan de grondtekst. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat het woordje “mij” in het Hebreeuws ontbreekt en daarom cursief geschreven zou moeten worden, wat in de eerste edities van de HSV niet gebeurd is. Dat zal in een volgende editie gebeuren. Verder zal er een noot toegevoegd worden met de letterlijke weergave van het Hebreeuws.

11Chelub, de broer van Suha, verwekte Mechir. Hij is de vader van Eston.

12Eston verwekte Bethrafa, Paseah en Tehinna, de vader van Ir-Nahas. Dit zijn de mannen van Recha.

13De Joz. 15:17zonen van Kenaz waren Othniël en Seraja; de zoon van Othniël was Hathath.

14Meonothai verwekte Ofra, Seraja verwekte Joab, de vader van de Vallei van de handwerkers; want zij waren handwerkslieden.

15De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de zoon van Ela: Kenaz.

16De zonen van Jehallelel waren Zif, Zifa, Tirea en Asareël.

17De zonen van Ezra waren Jether, Mered, Efer en Jalon. Zij baarde Mirjam, Sammai en Jisbah, de vader van Estemoa.

18Zijn Joodse vrouw baarde Jered, de vader van Gedor en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah. Dat zijn zonen van Bitja, de dochter van de farao, die Mered genomen had.

19De zonen van de vrouw van Hodia, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Estemoa, de Maächatiet.

20De zonen van Simon waren Amnon en Rinna, Ben-Hanan en Tilon. De zonen van Jiseï waren Zoheth en Ben-Zoheth.

21Gen. 38:5De zonen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa, en de geslachten van het huis van de linnenwevers in het huis van Asbea.

22Verder Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en Jasubi-Lehem. Dit alles is echter lang geleden.

23Zij waren pottenbakkers en woonden in Netaïm en Gedera. Zij verbleven daar bij de koning, in zijn dienst.

De nakomelingen van Simeon

24De zonen van Simeon waren Nemuel, Jamin, Jarib, Zerah en Saul.

25Sallum was diens zoon; Mibsam was diens zoon; Misma was diens zoon.

26De zonen van Misma waren: diens zoon Hammuel, diens zoon Zakkur, en diens zoon Simeï.

27Simeï had zestien zonen en zes dochters, maar zijn broers hadden niet veel kinderen en hun hele geslacht werd niet zo talrijk als dat van de nakomelingen van Juda.

28Zij woonden in Berseba, Molada, Hazar-Sual,

29in Bilha, in Ezem, in Tolad,

30in Bethuel, in Horma, in Ziklag,

31in Beth-Markaboth, in Hazar-Susim, in Bethbiri en in Saäraïm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.

32Hun dorpen waren Etam, Aïn, Rimmon, Tochen en Asan, vijf steden;

33en al hun dorpen die rondom deze steden lagen, tot Baäl toe. Dit zijn hun woongebieden en de bij hen behorende geslachtsregisters.

34Mesobab, Jamlech, Josa, de zoon van Amazia,

35Joël, Jehu, de zoon van Jesibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël,

36Eljoënai, Jaäkoba, Jesohaja, Asaja, Adiël, Jesimeël, Benaja,

37Ziza, de zoon van Sifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja –

38dezen werden mannen van naam, leiders in hun geslachten, en hun families breidden zich uit in menigte.

39Daarop gingen zij naar de ingang van Gedor tot aan het oosten van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun kleinvee.

40Toen vonden zij een vruchtbare en goede weidegrond; het land was ruim,4:40 ruim - Letterlijk: wijd van handen. rustig en vreedzaam, want nakomelingen van Cham woonden daar vroeger.

41Deze bij name beschrevenen kwamen daar in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vernielden de tenten en woningen van hen die daar aangetroffen werden, en sloegen hen met de ban, tot op deze dag. Zij gingen daar in hun plaats wonen, want daar was weidegrond voor hun kleinvee.

42Ook gingen er van hen, dus van de nakomelingen van Simeon, vijfhonderd mannen naar het gebergte van Seïr. En Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Jiseï, waren hun hoofden.

43Zij versloegen het overblijfsel van hen die van de Amalekieten ontkomen waren, en zij wonen daar tot op deze dag.

SV

Het geslacht Juda en Simeon

1De Gen. 38:29. 46:12. 1 Kron. 2:4.kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.

2En Reája, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahúmai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelpóni.

4En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

5Asschur nu, de vader van Thekóa, had twee vrouwen, Hela en Náära.

6En Náära baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Témeni, en Haähástari. Dit zijn de kinderen van Náära.

7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezóhar, en Ethnan.

8En Koz gewon Anub en Hazobéba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.

9Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.

10Want Jabez riep den God Israëls aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.

11En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.

12Eston nu gewon Beth-rafa, en Paséa, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.

13En de Joz. 15:17.kinderen van Kenaz waren Othniël en Serája; en de kinderen van Othniël, Hathath.

14En Meónothai gewon Ofra; en Serája gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.

15De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.

16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thírea en Asáreël.

17En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemóa.

18En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekúthiël, den vader van Zanóah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Faraö, die Mered genomen had.

19En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehíla, de Garmiet, en Esthemóa, de Maächathiet.

20En de kinderen van Simon nu waren Ammon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Iseï waren Zoheth en Ben-Zoheth.

21Gen. 38:5.De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Marésa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbéa.

22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozéba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasúbiléhem; doch deze dingen zijn oud.

23Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk.

24De kinderen van Simeon waren Nenúël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.

25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.

26De kinderen van Misma waren dezen: Hammúël zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simeï zijn zoon.

27Simeï nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.

28En zij woonden te Ber-séba, en te Mólada, en te Hazar-Sual,

29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,

30En te Bethúël, en te Horma, en te Ziklag,

31En te Beth-markabôth, en te Hazar-Susim, en te Beth-bíri, en te Saäráïm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.

32En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.

33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baäl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.

34Doch Mesóbab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amázia,

35En Joël, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël,

36En Eljoënai, en Jaäkóba, en Jesóhaja, en Asája, en Adíël, en Jesiméël, en Benája,

37En Ziza, de zoon van Sifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedája, den zoon van Simri, den zoon van Semája;

38Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.

39En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.

40En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren.

41Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkía, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.

42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Símeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refája, en Izziël, de zonen van Iseï, waren hun tot hoofden.

43En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.