1 Samuel 2
Het eerste boek Samuel

HSV

Hanna's lofzang

1Toen bad Hanna en zei:

Luk. 1:46Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,

mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;

mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,

want ik verheug mij in Uw heil.

2Er is niemand zo heilig als de HEERE,

want Deut. 3:24; Ps. 86:8er is niemand buiten U,

en er is geen rotssteen als onze God.

3Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig,

en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan;

want de HEERE is een alwetend God,

en Zijn daden zijn recht.

4De boog van de sterken is gebroken,

maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord.

5Zij die Ps. 34:11; Klaagl. 5:6; Luk. 1:53verzadigd waren, hebben zich om brood verhuurd,

maar zij die hongerig waren, zijn het niet meer.

Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard,

maar zij die veel kinderen had, is verkommerd.

6De Deut. 32:39; Ezech. 37:11,12 enz.HEERE doodt en maakt levend,

Hij doet in het graf neerdalen en Hij doet daaruit opkomen.

7De HEERE maakt arm en maakt rijk,

Hij vernedert, ook verhoogt Hij.

8Job 36:15; Ps. 113:7,8; Luk. 1:52Hij verheft de geringe uit het stof;

uit het vuil verhoogt Hij de arme

om hen bij edelen te doen zitten,

om hen een erezetel te laten verkrijgen.

Ps. 24:2; 102:26; 104:5Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE

en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.

9Hij zal de voeten van Zijn gunstelingen bewaren,

maar de goddelozen zullen zwijgen in de duisternis,

want een man is niet sterk door eigen kracht.

10Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;

1 Sam. 7:10Hij zal in de hemel over hen donderen.

De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;

Hij zal Zijn Ps. 2:6; 89:25Koning kracht geven,

en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.

11Daarna ging Elkana naar Rama, naar zijn huis, terwijl de jongen de HEERE bleef dienen onder toezicht van de priester Eli.

De zonen van Eli

12De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet.

13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was aldus: wanneer iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand,

14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, en alles wat de vork dan optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.

15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.

16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst2:16 eerst - Letterlijk: als op deze dag. in rook laten opgaan; neem daarna maar voor uzelf zoals uw ziel verlangt, dan zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.

17Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen hierdoor het offer van de HEERE.

18Maar Samuel diende voor het aangezicht van de HEERE. Hij was een jongen, gekleed in een linnen priesterhemd.

19Zijn moeder maakte van jaar tot jaar2:19 van jaar tot jaar - Letterlijk: van dagen naar dagen. een klein bovenkleed voor hem en bracht hem dat, wanneer zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer2:19 het jaarlijkse offer - Letterlijk: het offer van de dagen. te brengen.

20Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw, en zei: Moge de HEERE u nageslacht geven uit deze vrouw, vanwege dat wat zij de HEERE gebeden heeft. Vervolgens gingen zij weer terug naar zijn woonplaats.

21En inderdaad zag de HEERE naar Hanna om. Zij werd zwanger en baarde drie zonen en twee dochters, en de jonge Samuel werd groot bij de HEERE.

22Eli nu was heel oud en hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden, en ook dat zij sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de tent van ontmoeting dienstdeden.

23Hij zei tegen hen: Waarom doen jullie zulke dingen, zodat ik deze wandaden van jullie te horen krijg van dit hele volk?

24Dit kan niet, mijn zonen! Nee, dit is geen goed bericht dat ik hoor; jullie laten het volk van de HEERE overtredingen begaan.

25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zullen de goden2:25 goden - d.w.z. rechters als vertegenwoordigers van God. hem oordelen; maar wanneer een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal dan voor hem bidden? Maar zij luisterden niet naar de stem van hun vader, want de HEERE wilde hen doden.

26Luk. 2:52En de jonge Samuel kreeg gaandeweg meer aanzien en gunst, zowel bij de HEERE als ook bij de mensen.

Val van Eli voorspeld

27Een man Gods kwam naar Eli, en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader, Hand. 7:25 enz.toen zij in Egypte waren, in het huis van de farao?

28Ik heb hem uit al de stammen van Israël voor Mij tot priester uitgekozen om op Mijn altaar te offeren, het reukwerk in rook te laten opgaan en de efod voor Mijn aangezicht te dragen; en Lev. 10:14Ik heb aan het huis van uw vader al de vuuroffers van de Israëlieten gegeven.

29Waarom Deut. 32:15schopt u dan tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn graanoffer, dat Ik in Mijn woning geboden heb, en eert u uw zonen meer dan Mij, door u vet te mesten met het beste van alle graanoffers van Mijn volk Israël?

30Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Ex. 28:43; 29:9Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen zelf veracht worden.

31Zie, de dagen komen dat Ik uw arm zal afhakken, en de arm van uw familie, zodat er geen oud man in uw huis zijn zal.

32U zult de nood van Gods woning aanzien, in plaats van al het goede dat Hij Israël gedaan zou hebben; en er zal geen oude man in uw huis zijn, alle dagen.

33Maar de man van uw huis die Ik niet van bij Mijn altaar zal uitroeien, zal er zijn om uw ogen te doen bezwijken en uw ziel te bedroeven; en het merendeel van uw huis zal sterven als mannen in de kracht van hun leven.

34Dit zal voor u het teken zijn dat over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.

35Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor de ogen van Mijn gezalfde wandelen.

36En het zal gebeuren dat al wie van uw huis overgebleven is, zal komen om zich voor hem neer te buigen voor een weinig geld en een rond brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan voor een van de priesterdiensten, zodat ik een stuk brood om te eten zal hebben.

SV

Hanna's lofzang

1Toen bad Hanna en zeide: Luk. 1:46.Mijn hart springt van vreugde op in den HEERE; mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil.

2Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want Deut. 3:24. Ps. 86:8.er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God!

3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.

4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.

5Die Ps. 34:11. Klaagl. 5:6. Luk. 1:53.verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden.

6De Deut. 32:39. Ezech. 37:11, 12 enz.HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.

7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.

8Job 36:15. Ps. 113:7, 8. Luk. 1:52.Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beërven; Ps. 24:2. 102:26. 104:5.want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.

9Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.

10Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; 1 Sam. 7:10.Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Ps. 2:6. 89:25.Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.

11Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was den HEERE dienende voor het aangezicht van den priester Eli.

Eli's zonen

12Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HEERE niet.

13Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand;

14En sloeg in de teile, of in den ketel, of in de pan, of in den pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzo deden zij aan al de Israëlieten, die te Silo kwamen.

15Ook eer zij het vet aanstaken, kwam des priesters jongen, en zeide tot den man, die offerde: Geef dat vlees om te braden voor den priester; want hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar rauw.

16Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet als heden ganselijk aansteken, zo neem dan voor u, gelijk als het uw ziel lusten zal; zo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zo niet, ik zal het met geweld nemen.

17Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des HEEREN; want de lieden verachtten het spijsoffer des HEEREN.

18Doch Samuël diende voor het aangezicht des HEEREN, zijnde een jongeling, omgord met den linnen lijfrok.

19En zijn moeder maakte hem een kleinen rok, en bracht hem dien van jaar tot jaar, als zij opkwam met haar man, om het jaarlijkse offer te offeren.

20En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zeide: De HEERE geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den HEERE afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats.

21Want de HEERE bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuël werd groot bij den HEERE.

22Doch Eli was zeer oud, en hoorde al, wat zijn zonen aan gans Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hopen samenkwamen aan de deur van de tent der samenkomst.

23En hij zeide tot hen: Waarom doet gij al zulke dingen, dat ik deze uw boze stukken hore van dit ganse volk?

24Niet, mijn zonen; want dit is geen goed gerucht, dat ik hoor; gij maakt, dat het volk des HEEREN overtreedt.

25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen den HEERE zondigt, wie zal voor hem bidden? Doch zij hoorden de stem huns vaders niet, want de HEERE wilde hen doden.

26Luk. 2:52.En de jongeling Samuël nam toe, en werd groot en aangenaam beide bij den HEERE en ook bij de mensen.

Eli's val voorspeld

27En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, Hand. 7:25 enz.toen zij in Egypte waren, in het huis van Faraö?

28En Ik heb hem uit alle stammen van Israël Mij ten priester verkoren, om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om den efod voor Mijn aangezicht te dragen; en Lev. 10:14.heb aan het huis uws vaders gegeven al de vuurofferen van de kinderen Israëls.

29Waarom slaat gijlieden Deut. 32:15.achteruit tegen Mijn slachtoffer, en tegen Mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden heb in de woning; en eert uw zonen meer dan Mij, dat gijlieden u mest van het voornaamste van alle spijsoffers van Mijn volk Israël?

30Daarom spreekt de HEERE, de God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw Ex. 28:43. 29:9.huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de HEERE: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.

31Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en den arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal.

32En gij zult aanschouwen de benauwdheid der woning Gods, in plaats van al het goede, dat Hij Israël zou gedaan hebben; en er zal te genen dage een oud man in uw huis zijn.

33Doch de man, dien Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde.

34Dit nu zal u een teken zijn, hetwelk over uw beide zonen, over Hofni en Pínehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.

35En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; dien zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns gezalfden wandelen.

36En het zal geschieden, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen, om zich voor hem neder te buigen voor een stukje gelds, en een bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een bete broods moge eten.