2 Korinthe 4
De tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe

HSV

De apostolische bediening

1Daarom, aangezien wij deze bediening hebben naar de barmhartigheid die ons bewezen is, verliezen wij de moed niet.

2Integendeel, wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; 2 Kor. 2:17wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid 2 Kor. 6:4bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.

3Maar in het geval dat ons Evangelie nog bedekt is, dan is het bedekt in hen 2 Kor. 2:15; 2 Thess. 2:10die verloren gaan.

4Van hen, de ongelovigen, geldt dat de god van deze eeuw Jes. 6:10; Joh. 12:40hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Joh. 14:9; Filipp. 2:6; Kol. 1:15; Hebr. 1:3Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.

5Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus' wil.

6Want God, Gen. 1:3Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene 2 Petr. 1:19Die in onze harten geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.

De schat in aarden kruiken

7Maar wij hebben deze schat 2 Kor. 5:1in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van 1 Kor. 2:5God zou zijn en niet uit ons.

8Wij worden in alles verdrukt, maar niet in het nauw gebracht; wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld;

9wij worden vervolgd, maar niet verlaten; neergeworpen, maar niet te gronde gericht.

10Rom. 8:17; Gal. 6:17; Filipp. 3:10; 2 Tim. 2:11,12; 1 Petr. 4:13Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.

11Ps. 44:23; Matt. 5:11; Rom. 8:36; 1 Kor. 4:9Want wij die leven, worden voortdurend aan de dood overgegeven om Jezus' wil, 1 Kor. 15:49; Kol. 3:4opdat ook het leven van Jezus openbaar wordt in ons sterfelijk vlees.

12Zo is dan de dood werkzaam in ons, maar het leven in u.

13Maar omdat wij dezelfde Geest van het geloof hebben, overeenkomstig wat geschreven staat: Ps. 116:10Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, geloven ook wij, en daarom spreken wij ook.

14Rom. 8:11; 1 Kor. 6:14Wij weten immers dat Hij Die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en samen met u voor Zich zal stellen.

15Want dit alles gebeurt ter wille van u, 2 Kor. 1:11opdat de genade, die meer en meer is toegenomen, door de dankzegging van velen overvloedig wordt tot verheerlijking van God.

Een aardse tent en een huis in de hemel

16Daarom verliezen wij de moed niet; integendeel, ook al vergaat onze uiterlijke mens, toch wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd.

17Ps. 30:6; Matt. 5:12; Rom. 8:18; 1 Joh. 3:2Want onze lichte verdrukking, die van korte duur is, brengt in ons een allesovertreffend eeuwig gewicht van heerlijkheid teweeg.

18Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.

SV

De kracht der Evangelie-prediking

1Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;

2Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, 2 Kor. 2:17.niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven 2 Kor. 6:4.aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.

3Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, 2 Kor. 2:15. 2 Thess. 2:10.die verloren gaan;

4In dewelke de god dezer eeuw Jes. 6:10. Joh. 12:40.de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Joh. 14:9. Filipp. 2:6. Kol. 1:15. Hebr. 1:3.Die het Beeld Gods is.

5Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil.

6Want God, Gen. 1:3.Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, 2 Petr. 1:19.Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.

7Maar wij hebben dezen schat 2 Kor. 5:1.in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van 1 Kor. 2:5.God, en niet uit ons;

8Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;

9Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;

10Rom. 8:17. Gal. 6:17. Filipp. 3:10. 2 Tim. 2:11, 12. 1 Petr. 4:13.Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.

11Ps. 44:23. Matt. 5:11. Rom. 8:36. 1 Kor. 4:9.Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil; 1 Kor. 15:49. Kol. 3:4.opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.

12Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.

13Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ps. 116:10.Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;

14Rom. 8:11. 1 Kor. 6:14.Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen.

15Want al deze dingen zijn om uwentwil, 2 Kor. 1:11.opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.

Vernieuwing van den inwendigen mens

16Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.

17Ps. 30:6. Matt. 5:12. Rom. 8:18. 1 Joh. 3:2.Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;

18Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.