2 Thessalonicenzen 1
2 Thessalonicenzen 1
De tweede brief van de apostel Paulus aan de Thessalonicenzen
HSV

Afzenders, geadresseerden, groet

1Paulus, Silvanus en Timotheüs aan de gemeente van de Thessalonicenzen, die in God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus is:

21 Kor. 1:3; 1 Thess. 1:1; 1 Petr. 1:2genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus.

Paulus' dankgebed en voorbede voor de gemeente

3Efez. 1:15; Filipp. 1:3; Kol. 1:3; 1 Thess. 1:2Wij moeten God altijd voor u danken, broeders, zoals het behoort, omdat uw geloof buitengewoon sterk groeit en de liefde van ieder van u allen tot elkaar steeds toeneemt,

4zodat wij zelf 1 Thess. 2:19over u roemen in de gemeenten van God vanwege uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en in de verdrukkingen die u verdraagt:Het woord lijdzaamheid dat de SV hier gebruikt betekent vandaag de dag: stille berusting, gelatenheid. Het heeft dus nu nagenoeg dezelfde gevoelswaarde als lijdelijkheid. Dat is absoluut niet de betekenis en de bedoeling van het Griekse grondwoord hupomonè. Dat is de reden dat het woord lijdzaamheid in de herziening het veld heeft moeten ruimen. Het grondwoord betekent: geduld, volharding, uithoudingsvermogen, standvastigheid.

5Judas vs. 6een teken van Gods rechtvaardig oordeel dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, 1 Thess. 2:14waarvoor u ook lijdt.

6Zach. 2:8Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken,

7en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven 1 Thess. 4:16bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht,

82 Petr. 3:7wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent Rom. 2:8over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.

9Jes. 2:19Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht,

10Hand. 1:11; 1 Thess. 1:10; Openb. 1:7wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

11Daarom bidden wij ook altijd voor u dat onze God u de roeping waard acht en Hij al het welbehagen van Zijn goedheid en het werk van het geloof met kracht volbrengt,

12opdat de Naam van onze Heere Jezus Christus in u verheerlijkt wordt, en u in Hem, overeenkomstig de genade van onze God en van de Heere Jezus Christus.

1

Opschrift en groet

1Paulus, en Silvánus, en Timótheüs, aan de Gemeente der Thessalonicenzen, welke is in God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus:

21 Kor. 1:3. 1 Thess. 1:1. 1 Petr. 1:2.Genade zij u, en vrede, van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

Standvastigheid der Thessalonicenzen in geloof en liefde

3Efez. 1:15. Filipp. 1:3. Kol. 1:3. 1 Thess. 1:2.Wij moeten God te allen tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken van u allen jegens elkander overvloedig wordt;

4Alzo dat wij zelven 1 Thess. 2:19.van u roemen in de Gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt;

5Judas vs. 6.Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods, 1 Thess. 2:14.voor hetwelk gij ook lijdt;

6Zach. 2:8.Alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken;

7En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, 1 Thess. 4:16.in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht;

82 Petr. 3:7.Met vlammend vuur wraak doende Rom. 2:8.over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.

9Jes. 2:19.Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte,

10Hand. 1:11. 1 Thess. 1:10. Openb. 1:7.Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.

11Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen Zijner goedigheid, en het werk des geloofs met kracht.

12Opdat de Naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus.