2 Korinthe 3
De tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe

HSV

Het oude en nieuwe verbond

1Beginnen 2 Kor. 5:12; 10:8wij onszelf weer aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven voor u nodig, of aanbevelingsbrieven van u?

2U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen.

3Het is immers openbaar geworden dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet Ex. 24:12; 34:1op stenen tafelen, Jer. 31:33; Ezech. 11:19; 36:26; Hebr. 8:10maar op tafelen van vlees, van de harten.

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God.

5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar Filipp. 2:13onze bekwaamheid is uit God.

6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om 2 Kor. 5:18dienaars van Hebr. 8:6,8het nieuwe verbond te zijn, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7Als nu de bediening van de dood, met letters Ex. 24:12; 34:1; Deut. 10:1in stenen gegrift, in heerlijkheid was, Ex. 34:30zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden,

8hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn?

9Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.

10Immers, zelfs dat wat verheerlijkt was, is in dit opzicht niet heerlijk geweest, vergeleken met de allesovertreffende heerlijkheid.

11Want als wat tenietgedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is wat blijft in heerlijkheid.

12Omdat wij dan een dergelijke hoop bezitten, gaan wij met veel vrijmoedigheid te werk,

13en doen wij niet zoals Ex. 34:35Mozes, die een bedekking op zijn gezicht legde, opdat de Israëlieten hun ogen niet gericht zouden houden Rom. 10:4op het einddoel van wat tenietgedaan wordt.

14Jes. 6:10; Ezech. 12:2; Matt. 13:11; Hand. 28:26; Rom. 11:8Maar hun gedachten werden verhard, want tot op heden blijft diezelfde bedekking bij het lezen van het Oude Testament, zonder te worden weggenomen. Die bedekking wordt tenietgedaan in Christus.

15Ja, tot op heden ligt er, wanneer Mozes gelezen wordt, een bedekking op hun hart.

16Matt. 13:11; Rom. 11:23; 1 Kor. 2:10Maar wanneer het zich tot de Heere bekeert, wordt de bedekking weggenomen.

17Joh. 4:24De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.

181 Kor. 13:12; 2 Kor. 5:7Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.

SV

3

De uitnemendheid van het Nieuwe Testament boven het Oude

1Beginnen 2 Kor. 5:12. 10:8.wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?

2Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;

3Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet Ex. 24:12. 34:1.in stenen tafelen, Jer. 31:33. Ezech. 11:19. 36:26. Hebr. 8:10.maar in vlezen tafelen des harten.

4En zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.

5Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar Filipp. 2:13.onze bekwaamheid is uit God;

6Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn 2 Kor. 5:18.dienaars Hebr. 8:6, 8.des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7En indien de bediening des doods in letteren bestaande, Ex. 24:12. 34:1. Deut. 10:2.en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, Ex. 34:30.alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden,

8Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?

9Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.

10Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.

11Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.

12Dewijl wij dan zodanige hoop hebben, zo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in het spreken;

13En doen niet gelijkerwijs Ex. 34:35.Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israëls niet zouden sterk zien Rom. 10:4.op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt.

14Jes. 6:10. Ezech. 12:2. Matt. 13:11. Hand. 28:26. Rom. 11:8.Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt.

15Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.

16Matt. 13:11. Rom. 11:23. 1 Kor. 2:10.Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.

17Joh. 4:24.De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.

181 Kor. 13:12. 2 Kor. 5:7.En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.