2 Kronieken 11
Het tweede boek Kronieken

HSV

Regering van Rehabeam

1Toen 1 Kon. 12:21Rehabeam in Jeruzalem aangekomen was, riep hij het huis van Juda en Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend van de beste manschappen, geoefend voor de oorlog, om tegen Israël oorlog te voeren en het koningschap aan Rehabeam terug te brengen.

2Maar het woord van de HEERE kwam tot Semaja, de man Gods:

3Zeg tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel Israël in Juda en Benjamin:

4Zo zegt de HEERE: 1 Kon. 12:24U mag niet optrekken of strijden tegen uw broeders. Keer terug, ieder naar zijn huis, want deze zaak is bij Mij vandaan gekomen. Zij luisterden naar de woorden van de HEERE en keerden terug zonder tegen Jerobeam op te trekken.

5Rehabeam woonde in Jeruzalem, en hij bouwde verschillende steden in Juda om tot versterkte steden.

6Zo bouwde hij Bethlehem, Etam, Tekoa,

7Beth-Zur, Socho, Adullam,

8Gath, Maresa, Zif,

9Adoraïm, Lachis, Azeka,

10Zora, Ajalon en Hebron, die in Juda en in Benjamin de versterkte steden werden.

11En hij versterkte deze vestingen, en stelde leiders over hen aan en sloeg er voedselvoorraden, olie en wijn op,

12en in elke stad bovendien grote schilden en speren. Hij versterkte ze buitengewoon. Juda behoorde hem toe, met Benjamin.

13Verder voegden de priesters en de Levieten, die in heel Israël waren, zich vanuit heel hun gebied bij hem.

14Want de Levieten verlieten hun weidegronden en hun bezit, en gingen naar Juda en naar Jeruzalem, omdat 2 Kron. 13:9Jerobeam en zijn zonen hen uit de priesterdienst voor de HEERE verstoten hadden.

151 Kon. 12:31Hij had voor zichzelf priesters aangesteld voor de offerhoogten, voor de demonen en voor de kalveren die hij gemaakt had.

16Na hen kwamen uit alle stammen van Israël zij die zich met heel hun hart toelegden op het zoeken van de HEERE, de God van Israël, naar Jeruzalem, om de HEERE, de God van hun vaderen, offers te brengen.

17Zo versterkten zij het koninkrijk Juda en maakten zij Rehabeam, de zoon van Salomo sterk, drie jaar; want drie jaar lang gingen zij in de weg van David en Salomo.

18En Rehabeam nam voor zichzelf naast Machalath, de dochter van Jerimoth, de zoon van David, Abihaïl, de dochter van Eliab, de zoon van Isaï, tot vrouw.

19Zij baarde hem zonen: Jeüs, Semarja en Zaham.

20En na haar nam hij 1 Kon. 15:2Maächa, de dochter van Absalom tot vrouw, en zij baarde hem Abia, Attai, Ziza en Selomith.

21Rehabeam had Maächa, de dochter van Absalom, meer lief dan al zijn vrouwen en zijn bijvrouwen. Hij had namelijk achttien vrouwen genomen en zestig bijvrouwen, en hij verwekte achtentwintig zonen en zestig dochters.Of: kleindochter; deze Maächa wordt in 2 Kronieken 13:2 Michaja genoemd (mogelijk als gevolg van een verschrijving, aangezien de Hebreeuwse letters in beide woorden sterk overeenkomen). Deze Maächa zou een dochter uit het huwelijk van Absaloms dochter Tamar met een zekere Uriël uit Gibea kunnen zijn.

22En Rehabeam stelde Abia, de zoon van Maächa, aan als hoofd om leider te zijn onder zijn broers, want hij wilde hem koning maken.

23Hij handelde verstandig en verspreidde een deel van al zijn zonen over alle streken van Juda en Benjamin, over alle versterkte steden, en hij gaf hun voedsel in overvloed en verlangde voor hen een menigte vrouwen.

SV

11

Regering van Rehábeam

1Toen 1 Kon. 12:21.nu Rehábeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend, uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehábeam bracht.

2Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Semája, den man Gods, zeggende:

3Zeg tot Rehábeam, den zoon van Sálomo, den koning van Juda, en tot het ganse Israël in Juda en Benjamin, zeggende:

4Zo zegt de HEERE: 1 Kon. 12:24.Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weder van tegen Jeróbeam te trekken.

5Rehábeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.

6Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekóa,

7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,

8En Gath, en Marésa, en Zif,

9En Adoráïm, en Lachis, en Azéka,

10En Zóra, en Ajálon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.

11En hij sterkte deze vastigheden, en legde oversten daarin, en schatten van spijs, en olie, en wijn;

12En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gans zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne.

13Daartoe de priesteren en de Levieten, die in het ganse Israël waren, stelden zich bij hem uit al hun landpalen.

14Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want 2 Kron. 13:9.Jeróbeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.

15En 1 Kon. 12:31.hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had.

16Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om den HEERE, den God Israëls, te zoeken, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, offerande deden.

17Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehábeam, den zoon van Sálomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Sálomo.

18En Rehábeam nam zich, benevens Máhalath, de dochter van Jerimôth, den zoon van David, ter vrouwe Abiháïl, de dochter van Elíab, den zoon van Isaï,

19Dewelke hem zonen baarde, Jeüs, en Semária, en Zaham.

20En na haar nam hij 1 Kon. 15:2.Máächa, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abía, en Attai, en Ziza, en Selómith.

21En Rehábeam had Máächa, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren.

22En Rehábeam stelde Abía, den zoon van Máächa, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broederen; want het was om hem koning te maken.

23En hij handelde verstandelijk, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen.