2 Samuel 1
Het tweede boek Samuel

HSV

David ontvangt de tijding van de dood van Saul en Jonathan

1Het gebeurde na de dood van Saul, toen David teruggekeerd was van het verslaan van de 1 Sam. 30:17Amalekieten en David twee dagen in Ziklag gebleven was,

2op de derde dag gebeurde het dat, zie, er een man uit het legerkamp kwam, bij Saul vandaan. Zijn kleren waren gescheurd en er was aarde op zijn hoofd. En het gebeurde, toen hij bij David kwam, dat hij zich ter aarde wierp en zich neerboog.

3David zei tegen hem: Waar komt u vandaan? En hij zei tegen hem: Ik ben ontkomen uit het kamp van Israël.

4Verder zei David tegen hem: Wat is er gebeurd? Vertel het mij toch. En hij zei dat het volk uit de strijd was weggevlucht, dat er ook velen van het volk waren gevallen en gestorven, en dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren.

5David zei tegen de jongeman die hem de boodschap bracht: Hoe weet u dat Saul dood is, en ook zijn zoon Jonathan?

6Toen zei de jongeman die hem de boodschap gebracht had: Ik kwam toevallig op het gebergte Gilboa, en zie, Saul leunde op zijn speer; en zie, de wagens en wagenmenners hielden dicht op hem aan.

7Hij keek achter zich, zag mij en riep mij. En ik zei: Zie, hier ben ik.

8Hij zei tegen mij: Wie bent u? En ik zei tegen hem: Ik ben een Amalekiet.

9Toen zei hij tegen mij: Kom toch bij mij staan en dood mij, want benauwdheid heeft mij bevangen, hoewel mijn leven nog helemaal in mij is.

10Toen ging ik bij hem staan en doodde hem, want ik wist dat hij na zijn val niet leven zou. Ik nam de diadeem die hij op zijn hoofd had en de armband die om zijn arm zat, en heb die hier bij mijn heer gebracht.Vreselijk vs. ontzagwekkend: In de SV vinden we hier het woord vreselijk. Op het eerste gezicht lijkt het dat het ontzagwekkend van de HSV een stuk zwakker is. Toch is dat niet terecht. Het woordje vreselijk had in de tijd van de Statenvertaling een heel andere betekenis dan nu. Het betekende letterlijk: iets om te vrezen, iets om ontzag voor te hebben. Tegenwoordig heeft het echter een uiterst negatieve betekenis die hier niet past.

112 Sam. 3:31; 13:31Toen greep David zijn kleren en scheurde ze, en al de mannen die bij hem waren, deden dat ook.

12Zij bedreven rouw, huilden en vastten tot de avond over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van de HEERE en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.

13Vervolgens zei David tegen de jongeman die hem de boodschap gebracht had: Waar komt u vandaan? Hij zei: Ik ben de zoon van een vreemdeling, van een Amalekiet.

14David zei tegen hem: Wat? Bent u niet bevreesd geweest uw hand uit te strekken om de gezalfde van de HEERE om te brengen?

15David riep een van de jongemannen en zei: Kom naar voren, steek hem dood. En deze stak hem neer, zodat hij stierf.

16En David zei tegen hem: Uw bloed rust op uw eigen hoofd, want uw mond heeft tegen u getuigd door te zeggen: Ík heb de gezalfde van de HEERE gedood.

Klaaglied van David over Saul en Jonathan

17David hief dit klaaglied aan over Saul en over Jonathan, diens zoon.

18Hij zei dat men de nakomelingen van Juda het Lied van de boog zou leren. Zie, het is geschreven in het Boek van de Joz. 10:13Oprechte.

19O sieraad van Israël, op Uw hoogten ligt hij, gesneuveld.

Hoe zijn de helden gevallen!

20Micha 1:10Maak het niet bekend in Gath,

breng de boodschap niet op de straten van Askelon,

anders verblijden de dochters van de Filistijnen zich,

anders springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde.

21Bergen van Gilboa, laat geen dauw of regen meer op u zijn,

op de hooggelegen velden;

want daar is het schild van de helden smadelijk weggeworpen,

het schild van Saul, niet meer gezalfd met olie.

22Zonder bloed van gesneuvelden, zonder vet van helden

week de boog van Jonathan niet terug;

ook het zwaard van Saul kwam niet leeg terug.

23Saul en Jonathan, bemind en geliefd in hun leven,

in hun dood niet gescheiden,

waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen.

24Dochters van Israël, ween over Saul,

die u kleedde met scharlaken, met weelde,

die u sieraad van goud deed dragen op uw kleding.

25Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd!

Jonathan ligt gesneuveld op uw hoogten!

26Ik ben benauwd om jou, mijn broeder Jonathan!

Je was mij zeer lief;

je liefde was mij wonderlijker dan de liefde van vrouwen.

27Hoe zijn de helden gevallen,

de strijdwapens verloren!

1

David ontvangt de tijding van den dood van Saul en Jónathan

1Voorts geschiedde het na Sauls dood, als David van den slag der 1 Sam. 30:17.Amalekieten was wedergekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was;

2Zo geschiedde het op den derden dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens klederen gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.

3En David zeide tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben ontkomen uit het heirleger van Israël.

4Voorts zeide David tot hem: Wat is de zaak? Verhaal het mij toch. En hij zeide, dat het volk uit den strijd gevloden was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jónathan dood waren.

5En David zeide tot den jongen, die hem de boodschap bracht: Hoe weet gij, dat Saul dood is, en zijn zoon Jónathan?

6Toen zeide de jongen, die hem de boodschap bracht: Ik kwam bij geval op het gebergte van Gilbóa; en ziet, Saul leunde op zijn spies; en ziet, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem.

7Zo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zeide: Zie, hier ben ik.

8En hij zeide tot mij: Wie zijt gij? En ik zeide tot hem: Ik ben een Amalekiet.

9Toen zeide hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij; want deze maliënkolder heeft mij opgehouden; want mijn leven is nog gans in mij.

10Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht.

112 Sam. 3:31. 13:31.Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannen, die met hem waren.

12En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jónathan, zijn zoon, en over het volk des HEEREN, en over het huis Israëls, omdat zij door het zwaard gevallen waren.

13Voorts zeide David tot den jongen, die hem de boodschap gebracht had: Van waar zijt gij? En hij zeide: Ik ben de zoon van een vreemden man, van een Amalekiet.

14En David zeide tot hem: Hoe, hebt gij niet gevreesd uw hand uit te strekken, om den gezalfde des HEEREN te verderven?

15En David riep een van de jongens, en zeide: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.

16En David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb den gezalfde des HEEREN gedood.

Klaaglied van David over Saul en Jónathan

17David nu klaagde deze klage over Saul en over Jónathan, zijn zoon;

18Als hij gezegd had, dat men den kinderen van Juda den boog zou leren; ziet, het is geschreven in het boek des Joz. 10:13.Oprechten.

19O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!

20Micha 1:10.Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde.

21Gij, bergen van Gilbóa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden der hefofferen; want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie.

22Van het bloed der verslagenen, van het vette der helden, werd Jónathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet ledig weder.

23Saul en Jónathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen.

24Gij, dochteren Israëls, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.

25Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jónathan is verslagen op uw hoogten!

26Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jónathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.

27Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!