2 Samuel 6
Het tweede boek Samuel

HSV

David brengt de ark naar Jeruzalem

1Daarna 1 Kron. 13:5 enz.verzamelde David opnieuw de beste van alle mannen in Israël, dertigduizend.

2David stond op en ging op weg met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, de ark waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.

3Zij vervoerden de ark van God op een 1 Sam. 6:7,8 enz.nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het 1 Sam. 7:1huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.

4Zij haalden de wagen uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit.

5David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei muziekinstrumenten van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.

61 Kron. 13:9Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden.

7Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.

8David ontstak in woede, omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht,6:8 Uzza … toegebracht - Letterlijk: een bres in Uzza had geslagen; Perez-Uzza betekent: bres van Uzza. en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.

9David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen?

10David wilde de ark van de HEERE niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.

11Zo bleef de ark van de HEERE in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden lang, 1 Kron. 13:14en de HEERE zegende Obed-Edom en heel zijn huis.

12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David op weg en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.

13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest kalf offerde.

14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.

15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.

16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, door het venster naar beneden keek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.

17Toen zij de ark van de HEEREde stad binnenbrachten, zetten zij die op zijn 1 Kron. 15:1; 16:1plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.

18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, 1 Kron. 16:2zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.

19Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk zijns weegs, ieder naar zijn huis.De SV vertaalt het Hebreeuwse woord “'eshpar” met “schoon stuk” en voegt er dan cursief het woord “vlees” aan toe. Waarschijnlijk hebben zij deze interpretatie aan de Latijnse Vulgata ontleend. Het woordenboek van Gesenius maakt duidelijk dat deze interpretatie onjuist is. De precieze betekenis van het woord is onzeker, hoewel een aantal moderne woordenboeken (HALOT, DCH) voor “dadelkoek” kiest.

De SV vertaalt het Hebreeuwse woord “'ashishah” met “fles” en voegt er dan cursief het woord “wijn” aan toe. Alle gezaghebbende woordenboeken (Gesenius, BDB, HALOT, DCH) zijn het er echter over eens dat het hier om een “rozijnenkoek” gaat, een koek van samengeperste gedroogde druiven. Ze waren duur maar voedzaam. Hoe de SV aan “flessen” komt, is niet duidelijk. In de tijd van de Bijbel werd wijn ook niet in flessen bewaard, maar in kruiken of leren zakken. De Phoeniciërs kenden wel glazen flesjes, maar die waren klein en werden voor parfum gebruikt.

20Toen David terugkwam om zijn gezin te zegenen, kwam Michal, de dochter van Saul, naar buiten, David tegemoet en zei: Wat zal de koning van Israël vandaag geëerd zijn, die zich vandaag voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren heeft uitgekleed, zoals een leegloper zich schaamteloos uitkleedt!

21Maar David zei tegen Michal: Voor het aangezicht van de HEERE, Die mij uitgekozen heeft boven jouw vader en boven heel zijn huis door mij aan te stellen als een vorst over het volk van de HEERE, over Israël, ja, voor het aangezicht van de HEERE heb ik gehuppeld!

22En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geëerd worden.

23Michal nu, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot op de dag van haar dood.

SV

6

David brengt de ark naar Jeruzalem over

1Daarna 1 Kron. 13:5 enz.verzamelde David wederom alle uitgelezenen in Israël, dertig duizend.

2En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-Juda, om van daar op te brengen de ark Gods, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van den HEERE der heirscharen, Die daarop woont tussen de cherubim.

3En zij voerden de ark Gods op een 1 Sam. 6:7, 8 enz.nieuwen wagen, en haalden ze uit het 1 Sam. 7:1.huis van Abinádab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahío, zonen van Abinádab, leidden den nieuwen wagen.

4Toen zij hem nu uit het huis van Abinádab, dat op den heuvel is, met de ark Gods, wegvoerden, zo ging Ahío voor de ark henen.

5En David en het ganse huis Israëls speelden voor het aangezicht des HEEREN, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met schellen, en met cimbalen.

Dood van Uza

61 Kron. 13:9.Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark Gods, en hield ze, want de runderen struikelden.

7Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Uza, en God sloeg hem aldaar, om deze onbedachtzaamheid; en hij stierf aldaar bij de ark Gods.

8En David ontstak, omdat de HEERE een scheur gescheurd had aan Uza; en hij noemde dezelve plaats Pérez-Uza, tot op dezen dag.

9En David vreesde den HEERE ten zelven dage; en hij zeide: Hoe zal de ark des HEEREN tot mij komen?

10David dan wilde de ark des HEEREN niet tot zich laten overbrengen in de stad Davids; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.

11En de ark des HEEREN bleef in het huis van Obed-Edom, den Gethiet, drie maanden; 1 Kron. 13:14.en de HEERE zegende Obed-Edom en zijn ganse huis.

De ark in de stad Davids

12Toen boodschapte men den koning David, zeggende: De HEERE heeft het huis van Obed-Edom, en al wat hij heeft, gezegend om der ark Gods wil; zo ging David heen en haalde de ark Gods uit het huis van Obed-Edom opwaarts in de stad Davids, met vreugde.

13En het geschiedde, als zij, die de ark des HEEREN droegen, zes treden voortgetreden waren, dat hij ossen en gemest vee offerde.

14En David huppelde met alle macht voor het aangezicht des HEEREN; en David was omgord met een linnen lijfrok.

15Alzo brachten David en het ganse huis Israëls de ark des HEEREN op, met gejuich en met geluid der bazuin.

16En het geschiedde, als de ark des HEEREN in de stad Davids kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu den koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht des HEEREN, verachtte zij hem in haar hart.

17Toen zij nu de ark des HEEREN inbrachten, stelden zij die in haar 1 Kron. 15:1. 16:1.plaats, in het midden der tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor des HEEREN aangezicht, en dankofferen.

18Als David geëindigd had het brandoffer en de dankofferen te offeren, 1 Kron. 16:2.zo zegende hij het volk in den Naam des HEEREN der heirscharen.

19En hij deelde uit aan het ganse volk, aan de ganse menigte van Israël, van de mannen tot de vrouwen toe, aan een iegelijk een broodkoek, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, een iegelijk naar zijn huis.

20Als nu David wederkwam, om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet, en zeide: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de ogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten heeft ontbloot, gelijk een van de ijdele lieden zich onbeschaamdelijk ontbloot?

21Maar David zeide tot Michal: Voor het aangezicht des HEEREN, Die mij verkoren heeft voor uw vader en voor zijn ganse huis, mij instellende tot een voorganger over het volk des HEEREN, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht des HEEREN.

22Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden.

23Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag van haar dood toe.