Handelingen 3
De Handelingen van de heilige apostelen beschreven door Lukas

HSV

De kreupele genezen

1Petrus nu en Johannes gingen samen naar de tempel tijdens het uur van het gebed, het negende uur.

2Hand. 14:8En een man die vanaf de moederschoot kreupel was, werd daarheen gedragen. Men zette hem dagelijks bij de tempelpoort die de Schone genoemd wordt, Joh. 9:8om een liefdegave te vragen aan hen die de tempel binnengingen.

3Toen hij Petrus en Johannes zag op het moment dat zij de tempel zouden binnengaan, vroeg hij of hij een liefdegave mocht ontvangen.

4En Petrus keek hem met Johannes doordringend aan en zei: Kijk ons aan!

5En hij hield de ogen op hen gericht, omdat hij verwachtte iets van hen te ontvangen.

6Petrus zei echter: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u: Hand. 4:10in de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en ga lopen!

7En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en onmiddellijk werden zijn voeten en enkels vast.

8En met een sprong stond hij overeind en liep rond, en hij ging met hen de tempel in, lopend en springend en God lovend.

9En al het volk zag hem lopen en God loven.

10En zij wisten dat hij degene was die voor een liefdegave bij de Schone Poort van de tempel gezeten had; en zij werden vervuld met verbazing en ontsteltenis over wat er met hem gebeurd was.

11En terwijl de kreupele, die genezen was, Petrus en Johannes vasthield, stroomde al het volk bij hen samen in de zuilengang die de zuilengang van Salomo genoemd wordt, en verbaasde zich.

12Toen Petrus dat zag, antwoordde hij het volk: Israëlitische mannen, waarom verwondert u zich hierover, of waarom kijkt u ons zo doordringend aan, alsof wij door onze eigen kracht of godsvrucht hebben bewerkstelligd dat deze man nu loopt?

13De God van Abraham, Izak en Jakob, de God van onze vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Die u hebt overgeleverd. U hebt Hem verloochend Matt. 27:20; Mark. 15:11; Luk. 23:18; Joh. 18:40vóór Pilatus, toen die oordeelde dat men Hem zou loslaten.Een andere mogelijke vertaling is knecht of dienaar.

14U echter hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en gevraagd dat u een moordenaar geschonken zou worden,

15Hand. 1:8; 2:32maar de Vorst van het leven hebt u gedood, Die God uit de doden opgewekt heeft, waarvan wij getuigen zijn.

16En Zijn Naam heeft deze man, die u ziet en kent, sterk gemaakt door het geloof in Zijn Naam. En het geloof dat er is door Hem, heeft hem in aanwezigheid van u allen deze volkomen gezondheid gegeven.

17En nu weet ik, broeders, dat u het uit onwetendheid gedaan hebt, evenals uw leiders,

18maar God heeft op die manier vervuld wat Hij Jes. 50:6; 53:5; Luk. 24:27bij monde van al Zijn profeten aangekondigd had, namelijk dat de Christus lijden zou.

19Hand. 2:38Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere,

20en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren aan u verkondigd is.

21Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld, waarover God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten door de eeuwen heen.

22Want Mozes heeft tegen de vaderen gezegd: Deut. 18:15,18,19; Joh. 1:46; Hand. 7:37De Heere, uw God, zal voor u een Profeet laten opstaan uit uw broeders, zoals ik; naar Hem moet u luisteren in alles wat Hij tot u zal spreken.

23En het zal zo zijn dat al3:23 al - Letterlijk: elke ziel. wie niet geluisterd zal hebben naar deze Profeet, uit het volk uitgeroeid zal worden.

24En ook al de profeten vanaf Samuel en zovelen als er daarna gesproken hebben, hebben deze dagen aangekondigd.

25U bent kinderen van de profeten en van het verbond dat God met onze vaderen sloot, toen Hij tegen Abraham zei: Gen. 22:18; Gal. 3:8En in uw Nageslacht zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.

26God, Die Zijn Kind Jezus heeft doen opstaan, heeft Hem eerst naar u gezonden om u hierin te zegenen dat Hij ieder van u zou afbrengen van zijn slechte daden.

SV

De kreupele genezen

1Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure;

2Hand. 14:8.En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schone, Joh. 9:8.om een aalmoes te begeren van degenen, die in den tempel gingen;

3Welke, Petrus en Johannes ziende, als zij in den tempel zouden ingaan, bad, dat hij een aalmoes mocht ontvangen.

4En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons.

5En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen.

6En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; Hand. 4:10.in den Naam van Jezus Christus, den Nazaréner, sta op en wandel!

7En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en terstond werden zijn voeten en enkelen vast.

8En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in den tempel, wandelende en springende, en lovende God.

9En al het volk zag hem wandelen en God loven.

10En zij kenden hem, dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone poort des tempels; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was.

11En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Sálomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.

12En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israëlietische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen?

13De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, Matt. 27:20. Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 18:40.voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten.

14Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden;

15Hand. 1:8. 2:32.En den Vorst des levens hebt gij gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.

16En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid.

17En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.

18Maar God heeft alzo vervuld, hetgeen Hij Jes. 50:6. 53:5. Luk. 24:27.door den mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.

19Hand. 2:38.Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,

20En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is;

21Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.

22Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: Deut. 18:15, 18, 19. Joh. 1:46. Hand. 7:37.De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.

23En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.

24En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.

25Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: Gen. 22:18. Gal. 3:8.En in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

26God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.