Deuteronomium 18
Het vierde boek van Mozes Deuteronomium

HSV

Erfelijk bezit en het recht van de priesters

1De Levitische priesters, de hele stam Levi, mogen geen aandeel of erfbezit hebben samen met Israël; Num. 18:20; Deut. 10:9; 1 Kor. 9:13de vuuroffers van de HEERE en Zijn erfelijk bezit mogen zij eten.

2Daarom mag hij geen erfelijk bezit hebben te midden van zijn broeders; Num. 18:20 enz.; Deut. 10:9; Ezech. 44:28de HEERE, Die is zijn erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken heeft.

3Van de gaven van het volk, van hen die een offer brengen, hetzij een rund of kleinvee, is dit het deel waar de priesters recht op hebben: men moet de schouder, de beide kaken en de maag aan de priester geven.

4Ook de eerstelingen van uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, en de eerstelingen van de wol van uw kleinvee moet u hem geven,

5want hem heeft de HEERE, uw God, uit al uw stammen uitgekozen om in de Naam van de HEERE te staan en te dienen, hij en zijn zonen, alle dagen.

6Verder, wanneer er een Leviet komt, uit een van uw poorten in heel Israël, waar hij als vreemdeling verblijft, en hij naar het volle verlangen van zijn ziel naar de plaats komt die de HEERE zal uitkiezen,

7en hij daar dient in de Naam van de HEERE, zijn God, zoals al zijn broeders, de Levieten, die daar voor het aangezicht van de HEERE staan,

8dan moet hij een evenredig deel aan voedsel ontvangen,18:8 moet hij … aan voedsel ontvangen - Letterlijk: moeten zij een deel als een deel eten. ongeacht wat hij uit familiebezit verkocht heeft.18:8 wat hij … heeft - Letterlijk: naast zijn verkopingen bij de vaderen.

Verbod op occulte praktijken

9Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, mag u niet leren handelen overeenkomstig de gruweldaden van die volken.

10Onder u mag niemand gevonden worden Lev. 18:21die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, Lev. 20:27; 1 Sam. 28:7; Jes. 8:19die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is,

11die bezweringen doet, die een dodenbezweerder of een waarzegger raadpleegt, of die de doden raadpleegt.

12Want iedereen die zulke dingen doet, is een gruwel voor de HEERE. En vanwege deze gruweldaden verdrijft de HEERE, uw God, deze volken van voor uw ogen uit hun bezit.

13Oprecht moet u zijn tegenover de HEERE, uw God.

14Want deze volken, die ú uit hun bezit verdrijven zult, luisteren naar wolkenduiders en waarzeggers. Maar de HEERE, uw God, heeft dat ú niet toegestaan.

Belofte van de Profeet

15Joh. 1:46; Hand. 3:22; 7:37Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren,

16overeenkomstig alles wat u van de HEERE, uw God, bij de Horeb gevraagd hebt, op de dag dat u daar bijeenkwam, toen u zei: Ex. 20:19; Deut. 5:25; Hebr. 12:19Ik wil de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen en dit grote vuur wil ik niet meer zien, anders zal ik sterven.

17Toen zei de HEERE tegen mij: Het is goed wat zij gesproken hebben.

18Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, Joh. 4:25en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken.

19En met de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal het zó zijn: Ík zal rekenschap van hem eisen.

20Maar Deut. 13:5; Jer. 14:14de profeet die overmoedig handelt door een woord in Mijn Naam te spreken dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven.

21Wanneer u dan in uw hart zegt: Hoe kunnen wij het woord herkennen dat de HEERE niet gesproken heeft?

22Wanneer die profeet in de Naam van de HEERE spreekt, en het gebeurt niet en het komt niet uit, dan is dat een woord dat de HEERE niet gesproken heeft. In overmoed heeft die profeet dat gesproken; wees niet bevreesd voor hem.

SV

18

Erfdeel en recht der priesters

1De Levietische priesteren, de ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; Num. 18:20. Deut. 10:9. 1 Kor. 9:13.de vuuroffers des HEEREN en Zijn erfdeel zullen zij eten.

2Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; Num. 18:20 enz. Deut. 10:9. Ezech. 44:28.de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.

3Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij den priester zal geven den schouder, en beide kinnebakken, en de pens.

4De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven;

5Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te alle dagen.

6Voorts wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, uit gans Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;

7En hij dienen zal in den Naam des HEEREN, zijns Gods, als al zijn broederen, de Levieten, die aldaar voor het aangezicht des HEEREN staan;

8Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkopingen bij de vaderen.

Verbod tegen waarzeggerij

9Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.

10Onder u zal niet gevonden worden, Lev. 18:21.die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, Lev. 20:27. 1 Sam. 28:7. Jes. 8:19.die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.

11Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.

12Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.

13Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.

14Want deze volken, die gij zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, de HEERE, uw God, heeft u zulks niet toegelaten.

Belofte van een groot Profeet

15Joh. 1:46. Hand. 3:22. 7:37.Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;

16Naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geëist hebt, zeggende: Ex. 20:19. Deut. 5:25. Hebr. 12:19.Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.

17Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.

18Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, Joh. 4:25.en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.

19En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.

20Maar Deut. 13:5. Jer. 14:14.de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.

21Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?

22Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.