Genesis 3
Het eerste boek van Mozes Genesis

HSV

De zondeval

1De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?... de listigste ...: Het Hebreeuwse grondwoord voor listig kan zowel een positieve (Spr. 12:16) als een negatieve (Job 5:12) betekenis hebben. Veelal wordt het ofwel met schrander dan wel met sluw vertaald, afhankelijk van het zinsverband. Ditzelfde geldt voor het Nederlandse woord listig zoals het in de 17e eeuw gebruikt werd. Vanwege de bekendheid van deze passage hebben de herzieners hier listig laten staan. De KT beschrijven de slang als een dier, dat de duivel, omdat het zeer listig was, misbruikt heeft, om de mens van God, zijn Schepper af te voeren.

2En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,

3maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.

4Toen zei de slang 2 Kor. 11:3tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.

5Maar Joh. 8:44God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.... als God ...: Een andere mogelijke vertaling is: als goden.

6En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, Rom. 5:12,14,15 enz.; 1 Tim. 2:14en hij at ervan.

7Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij Gen. 2:25naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.

8En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag.3:8 de wind in de namiddag - Letterlijk: de wind van de dag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.

9En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?

10En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof en ik werd bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

11En Hij zei: Wie heeft u verteld dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten waarvan Ik u geboden had daar niet van te eten?

12Toen zei Adam: De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb ervan gegeten.

13En de HEERE God zei tegen de vrouw: Wat hebt u daar gedaan! En de vrouw zei: Openb. 12:13De slang heeft mij bedrogen en ik heb ervan gegeten.

14Toen zei de HEERE God tegen de slang:

Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt

onder al het vee en onder alle dieren van het veld!

Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.

15En Ik zal Matt. 4:1vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,

en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;

Kol. 2:15Dat zal u de kop vermorzelen,

en u zult Het de hiel vermorzelen.Zaad vs. nageslacht: Het Hebreeuwse woordje zera' is door de statenvertalers consistent vertaald met zaad. Dit is in het Nederlands van de 21e eeuw niet in alle gevallen meer mogelijk. Het grondwoord heeft ruwweg drie betekenissen (1) zaaigoed, (2) sperma en (3) nakomelingschap. Daar waar dit woord gebruikt wordt om iemands nakomelingschap aan te duiden, is het zo veel mogelijk weergegeven met nageslacht. Zowel zaad als nageslacht zijn begrippen die zowel op één persoon als op meerdere personen betrekking kunnen hebben. Wat verder van belang is, is dat dit vers volgens de Kanttekeningen van de SV duidelijk naar Christus verwijst. Om dit duidelijk te maken heeft de HSV nageslacht in dit vers met een hoofdletter weergegeven.

16Tegen de vrouw zei Hij:

Ik zal uw moeite in uw zwangerschap3:16 uw moeite in uw zwangerschap - Letterlijk: uw zwoegen en uw zwangerschap. zeer groot maken;

met pijn zult u kinderen baren.

Naar uw man zal uw begeerte uitgaan,

1 Kor. 14:34; 1 Tim. 2:11,12; Tit. 2:5; 1 Petr. 3:6maar hij zal over u heersen.... maar hij zal over u heersen: In de SV lezen we hier: ... en hij zal over u heerschappij hebben. Critici suggereren dat de verandering van en in maar een ongerechtvaardigde betekenisverandering tot gevolg heeft. De HSV erkent de betekenisverandering, maar acht deze noodzakelijk. Het heeft alles te maken met de diepere betekenis van het woord begeerte in de hieraan voorafgaande regel. De SV leest dit begrip als een verlangen om zich aan de ander te onderwerpen. In Hooglied 7:10 heeft dit woord die betekenis echter niet en is het juist een verlangen van twee geliefden om dicht bij de ander te zijn. De herzieners zijn van mening dat dit ook de betekenis van begeerte in Genesis 3:16 is. De vrouw zal verlangen naar de nabijheid van haar man, maar hij zal gezag over haar hebben en niet andersom. In meer overdrachtelijke zin vinden we deze betekenis ook in Genesis 4:7. Daar is het de zonde (en niet Abel!) die ernaar “verlangt” om grip op Kain te krijgen. Dit verklaart ook het de tegenstelling die door het voegwoordje maar opgeroepen wordt.

17En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,

is de aardbodem omwille van u vervloekt;

met zwoegen zult u daarvan eten,

al de dagen van uw leven;

18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen

en u zult het gewas van het veld eten.

19In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,

totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;

want stof bent u

en u zult tot stof terugkeren.

20En Adam gaf zijn vrouw de naam Eva,3:20 Eva betekent: leven. omdat zij moeder van alle levenden is.

21En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen daarmee.

22Toen zei de HEERE God: Zie, de mens is geworden als één van Ons, omdat hij goed en kwaad kent. Nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij eeuwig zou leven!

23Daarom zond de HEERE God hem weg uit de hof van Eden, om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was.

24Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog,3:24 een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog - Letterlijk: en de vlam van het wentelende zwaard. om de weg naar de boom des levens te bewaken.

SV

3

De zondeval

1De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?

2En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;

3Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.

4Toen zeide de slang 2 Kor. 11:3.tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;

5Maar Joh. 8:44.God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.

6En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, Rom. 5:12, 14, 15 enz. 1 Tim. 2:14.en hij at.

7Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij Gen. 2:25.naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

8En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.

9En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

10En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

11En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

12Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.

13En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: Openb. 12:13.De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.

14Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.

15En Ik zal Matt. 4:1.vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; Kol. 2:15.datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

Veroordeling van den mens

16Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, 1 Kor. 14:34. 1 Tim. 2:11, 12. Tit. 2:5. 1 Petr. 3:6.en hij zal over u heerschappij hebben.

17En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.

18Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.

19In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.

20Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.

21En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.

22Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

23Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.

24En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.