Jakobus 3
De algemene brief van de apostel Jakobus

HSV

De zonden van de tong

1U moet Matt. 23:8niet allemaal leermeesters willen zijn, mijn broeders. U weet immers Matt. 7:1; Luk. 6:37dat wij dan een strenger oordeel zullen ontvangen.

2Want wij struikelen allen in veel opzichten. Ps. 34:14; Jak. 1:26Als iemand in woorden niet struikelt, is hij een volmaakt man, die bij machte is om ook het hele lichaam in toom te houden.

3Zie, wij leggen de paarden een bit in de mond, opdat ze ons zouden gehoorzamen, en wij sturen daarmee heel hun lichaam.Het woordje “zie” komt niet in alle Griekse manuscripten voor.

4Zie, ook de schepen, al zijn ze nog zo groot en worden ze door harde winden voortgedreven, ze worden gestuurd door een zeer klein roer, waarheen de stuurman ook maar kiest en wil.3:4 waarheen … kiest en wil - Letterlijk: waar de keuze van de stuurman heen wil.

5Spr. 12:18; 15:2Zo is ook de tong een klein lichaamsdeel, en roemt toch van grote dingen. Zie eens hoe een klein vuur een grote hoop hout aansteekt.

6Ook de tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid. Zo staat het met de tong onder onze lichaamsdelen. Ze besmet het hele lichaam, en zet onze levensloop3:6 onze levensloop - Letterlijk: het rad van de geboorte. vanaf het begin in vlam, en ze wordt zelf door de hel in vlam gezet.

7Want elke natuur, zowel van wilde dieren en vogels als van kruipende dieren en zeedieren, wordt getemd en is getemd door de menselijke natuur.Dat wil zeggen: elk soort wilde dieren, hoe wild zij ook van nature mogen zijn.

8Maar de tong kan geen mens temmen. Ze is een niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk vergif.

9Door haar loven wij God en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, Gen. 1:27die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.

10Uit dezelfde mond komen zegen en vervloeking voort. Dit behoort niet zo te zijn, mijn broeders.

11Laat soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?

12Kan ook, mijn broeders, een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Evenmin kan een bron zout én zoet water voortbrengen.

De wijsheid van boven

13Wie is wijs en verstandig onder u? Efez. 5:8Laat hij uit zijn goede levenswandel zijn werken laten zien, in zachtmoedige wijsheid.

14Rom. 13:13Wanneer u echter bittere afgunst en eigenbelang in uw hart hebt, beroem u dan niet en lieg niet tegen de waarheid.

151 Kor. 2:6,7Dat is niet de wijsheid die van boven komt, maar ze is aards, natuurlijk, duivels.Letterlijk: “wat de ziel betreft”. Dat wil zeggen: wat voortkomt uit de ziel van de mens zoals die van nature is, en nog onwedergeboren, verdorven en zonder verstand van geestelijke zaken. Zie ook 1 Kor. 2:14.

161 Kor. 3:3; Gal. 5:20Want waar afgunst en eigenbelang is, daar heersen wanorde en allerlei kwade praktijken.

17Maar de wijsheid die van boven is, is ten eerste rein, vervolgens vreedzaam, welwillend, voor rede vatbaar, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd.

18En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten.

SV

3

Misbruik der tong

1Zijt Matt. 23:8.niet vele meesters, mijn broeders, wetende, Matt. 7:1. Luk. 6:37.dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.

2Want wij struikelen allen in vele. Ps. 34:14. Jak. 1:26.Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.

3Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;

4Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil.

5Spr. 12:18. 15:2.Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.

6De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

7Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.

8Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.

9Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, Gen. 1:27.die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.

10Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.

11Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?

12Kan ook, mijn broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen.

13Wie is wijs en verstandig onder u? Efez. 5:8.die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid.

14Rom. 13:13.Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.

151 Kor. 2:6, 7.Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels.

161 Kor. 3:3. Gal. 5:20.Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.

17Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.

18En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.