Jeremia 17
Het boek van de profeet Jeremia

HSV

Zonde en straf van Juda

1De zonde van Juda is opgeschreven

met een stift van ijzer,

met een punt van diamant

ingegrift op de schrijftafel van hun hart

en op de hoorns van uw Jer. 11:13altaren.

2Zoals zij aan hun kinderen denken,

denken zij aan hun altaren en hun gewijde palen,

bij bladerrijke Jer. 2:20bomen, op de hoge heuvels.

3Mijn berg in het veld,

Jer. 15:13uw vermogen, al uw schatten,

zal Ik als buit geven –

uw hoogten vanwege de zonde

in heel uw gebied.

4Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb,

met rust moeten laten,

want Ik zal u uw vijanden doen Deut. 28:68dienen

in een land dat u niet Jer. 16:13kent.

U hebt immers in Mijn toorn een Jer. 15:14vuur aangestoken,

dat tot in eeuwigheid zal branden.

5Zo zegt de HEERE:

Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,

en die een schepsel tot zijn arm stelt,

terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.

6Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,

die het niet ziet wanneer het goede komt:

hij verblijft op de droogste plekken in de woestijn,

in zilt en onbewoond land.

7Ps. 2:12; 34:9; Spr. 16:20; Jes. 30:18Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,

wiens vertrouwen de HEERE is.

8Hij zal zijn als een Ps. 1:3boom, die bij water geplant is,

en die zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.

Hij merkt het niet als er hitte komt,

zijn blad blijft groen.

Een jaar van droogte deert hem niet,

en hij houdt niet op vrucht te dragen.

9Arglistig is het hart, boven alles,

ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?In de SV vinden we hier het woord “dodelijk”. Heeft de HSV de betekenis van het oorspronkelijke hier verzwakt? Zeker niet. Het grondwoord dat hier gebruikt wordt is afgeleid van een werkwoord dat letterlijk “ernstig ziek zijn” betekent. We komen het onder meer tegen in 1 Samuel 12:15, waar de SV het ook vertaalt met “zeer krank zijn”. Bovendien noemen de KT van de SV bij Jeremia 17:9 ook “ongeneeslijk” als een alternatieve vertaling. Verder vertaalt de SV hetzelfde woord naast met “dodelijk” ook met “smartelijk” (Job 34:6 en Jeremia 15:18) en “pijnlijk” (Jesaja 17:11). De HSV is veel consistenter en vertaalt het vrijwel overal met “ongeneeslijk”.

10Ik, de HEERE, 1 Sam. 16:7; Ps. 7:10doorgrond het hart,

beproef de nieren,

en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,

overeenkomstig de vrucht van zijn daden.

11Wie rijkdom verwerft, maar niet op rechtmatige wijze,

is als een patrijs die eieren uitbroedt, maar ze niet heeft gelegd.17:11 een patrijs … gelegd. - Of: een patrijs die eieren bebroedt, maar niet uitbroedt. Ook mogelijk is de vertaling: een patrijs die kuikens koestert, maar ze niet heeft uitgebroed.

Op de helft van zijn dagen moet hij die achterlaten,

in zijn einde blijkt hij een dwaas te zijn.

12Een eretroon, een hoge plaats vanaf het begin,

is de plaats van ons heiligdom.

13HEERE, Hoop van Israël,

Ps. 73:27; Jes. 1:28allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.

Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,

want zij hebben de Jer. 2:13bron van het levende water, de HEERE, verlaten.

14Genees mij, HEERE, en ik zal genezen worden,

verlos mij, en ik zal verlost worden,

want U bent mijn lofzang.

15Zie, zij zeggen tegen mij:

Jes. 5:19; 2 Petr. 3:4Waar is het woord van de HEERE? Laat het toch uitkomen!

16Wat mij betreft, ik heb niet meer aangedrongen dan een herder achter U betaamde,

naar een onheilsdag heb ik niet verlangd.

U weet Zelf wat over mijn lippen kwam,

het was voor Uw aangezicht.

17Wees mij niet tot een verschrikking,

U bent mijn Jer. 16:19toevlucht op een dag van onheil.

18Ps. 35:4; 40:15; Jer. 15:15Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden.

Laten zij ontsteld zijn, maar laat mij niet ontsteld zijn.

Breng over hen een dag van onheil,

breek ze met een dubbele verbreking.

Heiliging van de sabbat

19Zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ga in de Volkspoort staan, waardoor de koningen van Juda binnenkomen en waardoor zij naar buiten gaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem,

20en zeg tegen hen: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda, heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomen.

21Zo zegt de HEERE: Neh. 13:19Wacht u er omwille van uw leven voor om op de sabbatdag een last te dragen en die door de poorten van Jeruzalem binnen te brengen.

22Ook mag u op de sabbatdag geen last uit uw huizen naar buiten brengen en geen enkel werk mag u doen. U moet de sabbatdag heiligen, zoals Ik uw Ex. 20:8; 23:12; 31:13; Ezech. 20:12vaderen geboden heb.

23Zij hebben echter niet Jer. 11:10; 13:10; 16:12geluisterd en hun oor niet geneigd, maar zij waren halsstarrig17:23 zij waren halsstarrig - Letterlijk: zij verhardden hun nek. door niet te luisteren en geen vermaning te aanvaarden.

24Het zal echter gebeuren, als u daadwerkelijk naar Mij zult luisteren, spreekt de HEERE, door op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad naar binnen te brengen, en door de sabbatdag te heiligen en daarop geen enkel werk te doen,

25Jer. 22:4dat dan koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, door de poorten van deze stad naar binnen zullen komen, rijdend op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Dan zal deze stad voor eeuwig bewoond blijven.

26Zij zullen uit de steden van Juda komen, en uit de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit het Laagland, uit het Bergland en uit het Zuiderland, terwijl zij brandoffers, slachtoffers, graanoffers en wierook brengen, en terwijl zij lofoffers zullen brengen in het huis van de HEERE.

27Maar als u niet naar Mij luistert door de sabbatdag te heiligen en door daarop geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem binnenkomt, dan zal Ik een vuur aansteken in zijn poorten; dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren, en het zal niet geblust worden.

SV

17

Bestraffing der afgoderij en van het bedrog

1De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer Jer. 11:13.altaren;

2Gelijk hun kinderen hunner altaren gedenken, en hunner bossen, bij het groen Jer. 2:20.geboomte, op de hoge heuvelen.

3Ik zal Mijn berg met het veld, Jer. 15:13.uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, mitsgaders uw hoogten, om de zonde in al uw landpalen.

4Alzo zult gij aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen Deut. 28:68.dienen in een land, dat gij niet Jer. 16:13.kent; want gijlieden hebt een Jer. 15:14.vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.

5Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!

6Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.

7Ps. 2:12. 34:9. Spr. 16:20. Jes. 30:18.Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!

8Want hij zal zijn als een Ps. 1:3.boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.

9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?

10Ik, de HEERE, 1 Sam. 16:7. Ps. 7:10.doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.

11Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.

12Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms.

13O HEERE, Israëls Verwachting! Ps. 73:27. Jes. 1:28.allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten den HEERE, den Jer. 2:13.Springader des levenden waters.

14Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof.

15Ziet, zij zeggen tot mij: Jes. 5:19. 2 Petr. 3:4.Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!

16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.

17Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Jer. 16:19.Toevlucht ten dage des kwaads.

18Ps. 35:4. 40:15. Jer. 15:15.Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met een dubbele verbreking.

Heiliging van den Sabbat

19Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;

20En zeg tot hen: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda, en gans Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat!

21Zo zegt de HEERE: Neh. 13:19.Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem.

22Ook zult gijlieden geen last uitvoeren uit uw huizen op den sabbatdag, noch enig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uw Ex. 20:8. 23:12. 31:13. Ezech. 20:12.vaderen geboden heb.

23Maar zij hebben niet Jer. 11:10. 13:10. 16:12.gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen.

24Het zal dan geschieden, indien gij vlijtiglijk naar Mij zult horen, spreekt de HEERE, dat gij geen last door de poorten dezer stad op den sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop doet;

25Jer. 22:4.Zo zullen door de poorten dezer stad ingaan koningen en vorsten, zittende op den troon van David, rijdende op wagenen en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid.

26En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, ten huize des HEEREN.

27Maar indien gij naar Mij niet zult horen, om den sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als gij op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust.