Jesaja 23
Het boek van de profeet Jesaja

HSV

Profetie over Tyrus

1De last over Jer. 47:4; Ezech. 26; 27; 28; Zach. 9:3,4Tyrus.

Weeklaag, schepen van Tarsis!

Want het is verwoest, zodat er geen huis meer staat;

niemand kan erin. Vanuit het land van de Kittiërs

is het hun onthuld.

2Zwijg, bewoners van de kuststreek!

De kooplieden van Sidon,

die de zee bevaren, hebben u welvaart gebracht.

3Over de grote wateren

kwam het zaad van Sichor, de oogst van de Nijl was zijn inkomen;

het was de marktplaats voor de heidenvolken.

4Schaam u, Sidon! Want de zee zegt,

de zeevesting zegt:

Ik heb geen weeën gehad en ook niet gebaard,

geen jongemannen grootgebracht,

geen meisjes doen opgroeien.

5Zoals bij de tijding over Egypte

zal men ineenkrimpen bij de tijding over Tyrus.

6Steek over naar Tarsis,

weeklaag, bewoners van de kuststreek!

7Is dit uw uitgelaten stad,

waarvan de oorsprong in de dagen van weleer ligt,

waarvan de voeten haar ver wegdroegen

om er als vreemdeling te verblijven?

8Wie heeft dit besloten

over Tyrus, de stad die kronen uitdeelt,

waarvan de kooplieden vorsten zijn,

waarvan de handelaars de groten der aarde zijn?

9De HEERE van de legermachten heeft dit besloten

om de trots van alle sieraad te ontluisteren,

om alle groten der aarde

verachtelijk te maken.

10Overstroom uw land zoals de Nijl, dochter van Tarsis,

er is geen gordel meer!

11Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee,

Hij heeft koninkrijken doen sidderen.

Wat Kanaän aangaat, heeft de HEERE bevel gegeven

om zijn vestingen weg te vagen.

12Hij zei: U zult niet meer van vreugde opspringen,

geschonden maagd, dochter van Sidon!

Sta op, steek over naar de Kittiërs,

maar ook daar zult u voor uzelf geen rust hebben.

13Zie, het land van de Chaldeeën.

Dit volk bestaat niet meer. Assyrië heeft het land bestemd voor de woestijnbewoners.

Zij richtten hun stormtorens op,

slechtten hun paleizen,

maar Hij heeft het tot een ruïne gemaakt.

14Weeklaag, schepen van Tarsis,

want uw vesting is verwoest!

15Op die dag zal Tyrus vergeten worden voor zeventig jaar – overeenkomstig de levenstijd23:15 de levenstijd - Letterlijk: de dagen. van één koning. Na verloop van die zeventig jaar zal het Tyrus vergaan als in het lied op de hoer:

16Neem een harp,

ga de stad rond,

vergeten hoer!

Speel mooi,

zing veel,

dan wordt er aan je gedacht.

17Na verloop van die zeventig jaar zal het gebeuren dat de HEERE naar Tyrus zal omzien. Vervolgens zal zij weer terugkeren naar haar hoerenloon en hoererij bedrijven met alle koninkrijken van de wereld die zich op de aardbodem bevinden.

18Haar winst en hoerenloon zal echter heilig worden voor de HEERE. Het zal niet opgeslagen of weggelegd worden, maar haar winst zal zijn voor hen die wonen voor het aangezicht van de HEERE, om tot verzadiging te kunnen eten en kostbare kleding te kopen.

SV

23

Profetie over de verwoesting van de stad Tyrus en haar herstel

1De last van Jer. 47:4. Ezech. 26. 27. 28. Zach. 9:3, 4.Tyrus. Huilt, gij schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden.

2Zwijgt, gij inwoners des eilands! gij, die de kooplieden van Sidon, over zee varende, vervulden,

3En wiens inkomst was het zaad van Sichor over de grote wateren, de oogst der rivier; en zij was de markt der heidenen.

4Word beschaamd, o Sidon! want de zee spreekt, ja, de sterkte der zee, zeggende: Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongelingen groot gemaakt, en geen jonge dochters opgebracht.

5Gelijk als geweest is de tijding van Egypte, zal men ook in weedom zijn, als men van Tyrus horen zal.

6Vaart over naar Tarsis, huilt, gij inwoners des eilands!

7Is dit uw vrolijk huppelende stad? welker oudheid wel van oude dagen af is; maar haar eigen voeten zullen haar verre wegdragen, om in vreemdelingschap te verkeren.

8Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, welker kooplieden vorsten zijn, welker handelaars de heerlijkste in het land zijn?

9De HEERE der heirscharen heeft het beraadslaagd, opdat Hij ontheilige de hovaardij van alle sieraad, om al de heerlijksten der aarde verachtelijk te maken.

10Ga door naar uw land, als een rivier, gij dochter van Tarsis! er is geen gordel meer.

11Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee, Hij heeft de koninkrijken beroerd; de HEERE heeft bevel gegeven tegen Kanaän, om haar sterkten te verdelgen.

12En Hij heeft gezegd: Gij zult niet meer vrolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult gij aldaar geen rust hebben.

13Ziet, het land der Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefondeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld.

14Huilt, gij schepen van Tarsis! want ulieder sterkte is verstoord.

15En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zal vergeten worden zeventig jaren, gelijk eens konings dagen; maar ten einde van zeventig jaren zal in Tyrus als een hoerenlied zijn:

16Neem de harp, ga in de stad rondom, gij vergeten hoer! speel wel, zing veel liederen, opdat uwer gedacht worde!

17Want het zal geschieden ten einde van zeventig jaren, dat de HEERE Tyrus zal bezoeken, en dat zij wederkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken der aarde, die op den aardbodem zijn.

18En haar koophandel en haar hoerenloon zal den HEERE heilig zijn, het zal niet ten schat vergaderd noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor hen, die voor den HEERE wonen, opdat zij eten tot verzadiging, en dat zij durig deksel hebben.