Joël 2
Het boek van de profeet Joël

HSV

De dag van de HEERE is nabij

1Blaas de bazuin in Sion,

sla alarm op Mijn heilige berg,

laat alle inwoners van het land sidderen,

want Joël 1:15; Zef. 1:14,15de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!

2Het is een dag van duisternis en donkerheid,

een dag van wolken en donkerheid.

Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt,

verspreidt zich een groot en machtig volk,

zoals er niet geweest is

van oude tijden af,

en er hierna niet meer zal zijn,

jarenlang, van generatie op generatie.2:2 jarenlang, van generatie op generatie - Letterlijk: tot jaren van generatie en generatie.

3Ervóór verteert een vuur,

en erachter verzengt een vlam;

ervóór is het land als de hof van Eden,

en erachter is het een woeste wildernis.

Ook is er geen ontkomen aan.

4Als het uiterlijk van paarden is zijn uiterlijk,

en als renpaarden, zo rennen zij voort.

5Als het geluid van wagens

springen zij over de toppen van de bergen,

als het geluid van een vuurvlam

die stoppels verteert,

als een machtig volk

opgesteld voor de strijd.

6Bij die aanblik krimpen de volken ineen,

alle gezichten verschieten van kleur.

7Als helden rennen zij,

als strijdbare mannen

klimmen zij tegen de muren op;

ieder gaat op zijn eigen weg

en zij wijken niet van hun paden af.

8Zij verdringen elkaar niet,

ieder gaat zijn eigen weg.

Al stuiten zij op weerstand,

zij zijn niet tegen te houden.

9Zij stormen op de stad af,

zij rennen op de muren,

zij klimmen tegen de huizen op.

Als een dief komen zij

door de vensters binnen.

10Bij die aanblik siddert Jes. 13:10; Ezech. 32:7de aarde,

beeft de hemel.

Zon en maan worden in het zwart gehuld

en de sterren trekken hun licht in.

11En de HEERE laat Zijn stem klinken

voor Zijn leger uit,

want Zijn leger is zeer groot,

ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.

Groot is immers Jer. 30:7; Amos 5:18; Zef. 1:15de dag van de HEERE

en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?Vreselijk vs. ontzagwekkend: In de SV vinden we hier het woord vreselijk. Op het eerste gezicht lijkt het dat het ontzagwekkend van de HSV een stuk zwakker is. Toch is dat niet terecht. Het woordje vreselijk had in de tijd van de Statenvertaling een heel andere betekenis dan nu. Het betekende letterlijk: iets om te vrezen, iets om ontzag voor te hebben. Tegenwoordig heeft het echter een uiterst negatieve betekenis die hier niet past.

12Ook nu echter, spreekt de HEERE,

Jer. 4:1bekeer u tot Mij met heel uw hart,

namelijk met vasten, met geween en met rouwklacht.

13En scheur uw hart

en niet uw kleren.

Bekeer u tot de HEERE, uw God,

want Hij is Ex. 34:6; Ps. 86:15; Jona 4:2genadig en barmhartig,

geduldig en rijk aan goedertierenheid,

en Hij heeft berouw over het kwaad.Het begrip “lankmoedig” is zo verouderd dat niemand meer goed weet wat het betekent. Het gevolg is dat mensen betekenissen aan het woord gaan toekennen die het feitelijk niet bezit. Het Hebreeuwse grondwoord zou heel letterlijk vertaald kunnen worden met “lang van neusgaten”. In het Hebreeuwse taaleigen is er echter een verband tussen de neus en boosheid. Een iets vrijere vertaling is dan ook “traag tot toorn”. Het wordt zowel voor mensen (Spr 14:29) als voor God (Ex 34:6) gebruikt. Het is dus niet vol te houden dat het hier alleen om een goddelijke eigenschap zou gaan. Eén van de critici is van mening dat het woord “lankmoedig” in de Middeleeuwen nog niet bestond, en speciaal bedacht is ten dienste van de prediking van het Woord. Dat is echter onjuist. Het Nederlandse “lankmoedig” is weliswaar ontleend aan het Latijnse “longanimis”, dat vooral in Christelijk-Latijnse literatuur voorkomt (mogelijk een letterlijke vertaling van het Griekse “makrothumia”), maar alle handboeken geven aan dat dit woord in de Middeleeuwen reeds volop voorkwam, in de vorm van “lancmoedich” en “lancmoedicheit”. Dit woord is echter sterk verouderd en komt buiten de Bijbel steeds minder voor. Bovendien is er een uitstekend alternatief: “geduldig”. Dat “lankmoedig” een diepere lading zou hebben dan “geduldig”, spreken wij tegen.

14Jona 3:9Wie weet zal Hij Zich omkeren en berouw hebben,

zodat Hij een zegen achter Zich overlaat:

een graanoffer en een plengoffer

voor de HEERE, uw God.

15Blaas de bazuin in Sion,

Joël 1:14kondig een vastentijd af,2:15 kondig een vastentijd af - Letterlijk: heilig een vasten; zie ook Joël 1:14.

roep een bijzondere samenkomst bijeen.

16Verzamel het volk,

heilig de gemeente,

breng de oudsten bijeen,

verzamel de kleine kinderen

en de zuigelingen.2:16 de zuigelingen - Letterlijk: zuigers van borsten.

Laat de bruidegom uit zijn binnenkamer gaan,

de bruid uit haar slaapkamer.

17Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen

tussen de voorhal en het altaar,

en laten zij zeggen:

Ontzie Uw volk, HEERE,

geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,

zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.

Waarom zouden ze onder de volken zeggen:

Ps. 42:11; 79:10; 115:2Waar is hun God?

18Toen nam de HEERE het op voor Zijn land,

en Hij spaarde Zijn volk.

19De HEERE antwoordde en zei tegen Zijn volk:

Zie, Ik zend u het koren, de nieuwe wijn en de olie,

zodat u ermee verzadigd wordt.

Ik zal u niet meer overgeven

als voorwerp van smaad onder de heidenvolken.

20Ik zal die uit het noorden

ver van u wegdoen.

Ik verdrijf hem naar

een dor en woest land,

zijn voorhoede naar de zee in het oosten,

zijn achterhoede naar de zee in het westen.2:20 de zee in het westen - Letterlijk: de achterste zee.

Zijn stank stijgt op,

zijn walm stijgt op,

want hij heeft grote dingen gedaan.

21Wees niet bevreesd, land,

verheug u en wees blij,

want de HEERE heeft grote dingen gedaan.

22Wees niet bevreesd, dieren van het veld,

want de weiden van de woestijn worden groen,

de bomen dragen hun vrucht,

de wijnstok en de vijgenboom geven hun opbrengst.

23En u, kinderen van Sion,

verheug u en wees blij

in de HEERE, uw God,

want Hij zal u geven

de Leraar tot gerechtigheid.

Die zal regen op u doen neerdalen,

vroege regen en late regen in de eerste maand.

24De dorsvloeren zullen vol koren zijn,

de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie.

25Ik zal u de jaren vergoeden

die de Joël 1:4veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten,

Mijn grote leger,

dat Ik op u had afgestuurd.

26Dan zult u overvloedig en tot verzadiging eten,

en de Naam van de HEERE, uw God, prijzen,

Die wonderlijk met u heeft gehandeld.

Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.

27Dan zult u weten dat Ik te midden van Israël ben,

dat Ik, de HEERE, uw God ben, en niemand anders:

Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden!

Belofte van de Geest

28Daarna zal het geschieden

dat Ik Mijn Jes. 44:3; Ezech. 39:29; Hand. 2:17Geest zal uitstorten op alle vlees:

uw zonen en uw dochters zullen profeteren,

uw ouderen zullen dromen dromen,

uw jongemannen zullen visioenen zien.

29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen

zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.

30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:

bloed en vuur en rookzuilen.

31Joël 3:15De zon zal veranderd worden in duisternis

en de maan in bloed,

voor die dag van de HEERE komt,

die grote en ontzagwekkende.Vreselijk vs. ontzagwekkend: In de SV vinden we hier het woord vreselijk. Op het eerste gezicht lijkt het dat het ontzagwekkend van de HSV een stuk zwakker is. Toch is dat niet terecht. Het woordje vreselijk had in de tijd van de Statenvertaling een heel andere betekenis dan nu. Het betekende letterlijk: iets om te vrezen, iets om ontzag voor te hebben. Tegenwoordig heeft het echter een uiterst negatieve betekenis die hier niet past.

32Het zal geschieden dat ieder Rom. 10:13die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.

Want op de Obadja vs. 17berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,

zoals de HEERE gezegd heeft,

namelijk bij hen die ontkomen zijn,

die de HEERE roepen zal.

SV

2

De dag des HEEREN komt

1Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want Joël 1:15. Zef. 1:14, 15.de dag des HEEREN komt, want hij is nabij.

2Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.

3Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.

4De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.

5Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.

6Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.

7Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een iegelijk in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.

8Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.

9Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.

10De Jes. 13:10. Ezech. 32:7.aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.

11En de HEERE verheft Zijn stem voor Zijn heir henen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want Jer. 30:7. Amos 5:18. Zef. 1:15.de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?

12Nu dan ook, spreekt de HEERE, Jer. 4:1.bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.

13En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God; want Hij is Ex. 34:6. Ps. 86:15. Jona 4:2.genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.

14Jona 3:9.Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den HEERE, uw God.

15Blaast de bazuin te Sion, Joël 1:14.heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.

16Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.

17Laat de priesters, des HEEREN dienaars, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o HEERE! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Ps. 42:11. 79:10. 115:2.Waar is hunlieder God?

Belofte van overvloed

18Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen.

19En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend ulieden het koren, en den most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.

20En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.

21Vrees niet, o land! verheug u, en wees blijde; want de HEERE heeft grote dingen gedaan.

22Vreest niet, gij beesten des velds! want de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven.

23En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand.

24En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.

25Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de Joël 1:4.sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.

26En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des HEEREN, uw Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.

27En gij zult weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik de HEERE, uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.

Belofte van den Geest

28En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Jes. 44:3. Ezech. 39:29. Hand. 2:17.Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;

29Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.

30En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.

31Joël 3:15.De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.

32En het zal geschieden, al Rom. 10:13.wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den Obadja vs. 17.berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.