Johannes 11
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Johannes

HSV

De opwekking van Lazarus

1En er was iemand ziek, Lazarus van Bethanië, uit het dorp van Maria en haar zuster Martha.

2Matt. 26:6; Mark. 14:3; Luk. 7:37; Joh. 12:3Maria nu was het die de Heere gezalfd heeft met mirre en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; haar broer Lazarus was ziek.

3Zijn zusters dan stuurden Hem de boodschap: Heere, zie, hij die U liefhebt, is ziek.

4En toen Jezus dat hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood, Vers 40; Joh. 9:3maar is er met het oog op de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt wordt.

5Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.

6Toen Hij dan gehoord had dat hij ziek was, bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was.

7Daarna zei Hij tegen de discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan.

8De discipelen zeiden tegen Hem: Rabbi, Joh. 8:59; 10:31de Joden hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?

9Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet,

10maar als iemand 's nachts loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet bij hem is.

11Dit sprak Hij, en daarna zei Hij tegen hen: Lazarus, onze vriend, Matt. 9:24; Mark. 5:39; Luk. 8:52slaapt, maar Ik ga naar hem toe om hem uit de slaap op te wekken.

12Zijn discipelen dan zeiden: Heere, als hij slaapt, zal hij gezond worden.

13Maar Jezus had over zijn dood gesproken, terwijl zij dachten dat Hij over de natuurlijke slaap sprak.

14Toen zei Jezus dan openlijk tegen hen: Lazarus is gestorven.

15En Ik ben blij voor u dat Ik daar niet was, opdat u gelooft; maar laten wij naar hem toe gaan.

16Thomas dan, die Didymus genoemd werd, zei tegen zijn medediscipelen: Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.

17Toen Jezus dan gekomen was, bleek dat hij al vier dagen in het graf lag.

18Bethanië nu lag dicht bij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën11:18 stadiën - Eén stadie bedraagt ongeveer 185 meter. daarvandaan.

19En velen van de Joden waren naar Martha en Maria gekomen om hen te troosten over hun broer.

20Zodra Martha dan hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, maar Maria bleef in huis zitten.

21Martha nu zei tegen Jezus: Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn,

22maar ook nu weet ik dat God U alles wat U van God vraagt, geven zal.

23Jezus zei tegen haar: Uw broer zal weer opstaan.

24Martha zei tegen Hem: Ik weet dat hij zal opstaan bij de Dan. 12:2; Luk. 14:14; Joh. 5:29opstanding op de laatste dag.

25Jezus zei tegen haar: Joh. 1:4; 5:24; 14:6Ik ben de Opstanding en het Leven; Joh. 3:16,36; 6:47; 1 Joh. 5:10wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven,

26Joh. 6:51en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft u dat?

27Zij zei tegen Hem: Ja, Heere, Matt. 16:16; Mark. 8:29; Luk. 9:20; Joh. 6:69ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.

28En na dit gezegd te hebben ging zij weg en riep Maria, haar zuster, onopgemerkt en zei: De Meester is er en Hij roept u.

29Zodra die dat hoorde, stond zij snel op en ging naar Hem toe.

30Jezus nu was nog niet in het dorp gekomen, maar was op de plaats waar Martha Hem tegemoetgekomen was.

31Toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Zij gaat naar het graf om daar te huilen.

32Zodra dan Maria kwam waar Jezus was, en Hem zag, viel zij aan Zijn voeten en zei tegen Hem: Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.

33Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.11:33 raakte innerlijk in beroering - Letterlijk: bracht Zichzelf in beroering.Ontroerd vs. in verwarring: Op het eerste gezicht lijkt er een groot verschil te zijn tussen het ontroerd worden van de SV en het in verwarring raken in de herziening. Dit is echter niet het geval. Ook hier heeft in de loop der jaren een betekenisverschuiving plaatsgehad. Ontroerd worden betekende in de tijd dat de SV ontstond iets anders dan wat wij er nu onder verstaan. Het Griekse grondwoord tarassoo betekent gewoonweg in verwarring raken. Zo is het ook overal in de HSV weergegeven, behalve in het Evangelie naar Johannes. Daar heeft het namelijk ook betrekking op de Heere Jezus (11:33; 12:27; 13:21) en is in verwarring raken minder gepast. Daarom is in dit boek gekozen voor in beroering raken.

34En Hij zei: Waar hebt u hem gelegd? Zij zeiden tegen Hem: Heere, kom het zien.

35Luk. 19:41Jezus weende.

36De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had!

37En sommigen van hen zeiden: Kon Hij Joh. 9:6Die de ogen van de blinde geopend heeft, ook niet maken dat deze niet gestorven was?

38Jezus dan, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, kwam bij het graf. Het was een grot, en er was een steen op gelegd.

39Jezus zei: Neem de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tegen Hem: Heere, hij ruikt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag.

40Jezus zei tegen haar: Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien?

41Zij namen dan de steen weg waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen omhoog en zei: Vader, Ik dank U dat U Mij verhoord hebt.

42En Ik wist dat U Mij altijd verhoort, Joh. 12:30maar ter wille van de menigte die om Mij heen staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.

43En toen Hij dit gezegd had, riep Hij met een luide stem: Lazarus, kom naar buiten!

44En de gestorvene kwam naar buiten, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn gezicht was omwonden Joh. 20:7met een zweetdoek. Jezus zei tegen hen: Maak hem los en laat hem weggaan.

45Velen dan van de Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem.

46Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hen wat Jezus gedaan had.

De Raad besluit om Jezus te doden

47Ps. 2:2; Matt. 26:3; Mark. 14:1; Luk. 22:2; Hand. 4:27De overpriesters dan en de Farizeeën riepen de Raad bijeen en zeiden: Joh. 12:19Wat doen we? Want deze Mens doet vele tekenen.

48Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen en onze plaats en onze natie van ons wegnemen.

49Maar een van hen, Kajafas, die de hogepriester van dat jaar was, zei tegen hen: U weet niets,

50en u overweegt niet Joh. 18:14dat het nuttig voor ons is dat één Mens sterft voor het volk, en niet heel het volk verloren gaat.

51Dit zei hij echter niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk,

52en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God, overal verspreid, Efez. 2:14,15,16bijeen te brengen.

53Vanaf die dag dan waren zij vastbesloten om Hem te doden.

54Jezus dan verkeerde niet meer openlijk onder de Joden, maar Hij ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en verbleef daar met Zijn discipelen.

55En het Pascha van de Joden was nabij en velen uit dat land gingen naar Jeruzalem, vóór het Pascha, om zich te reinigen.

56Joh. 7:11Zij dan zochten Jezus en zeiden onder elkaar, terwijl zij in de tempel stonden: Wat denkt u? Dat Hij niet op het feest komt?

57De overpriesters nu en de Farizeeën hadden de opdracht gegeven dat, als iemand wist waar Hij was, hij het hun te kennen zou geven, zodat zij Hem konden grijpen.

SV

11

De opwekking van Lázarus

1En er was een zeker man krank, genaamd Lázarus, van Bethanië, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.

2Matt. 26:6. Mark. 14:3. Luk. 7:37. Joh. 12:3.(Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lázarus krank was.)

3Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.

4En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, Vers 40. Joh. 9:13.maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.

5Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lázarus lief.

6Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.

7Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judéa gaan.

8De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! Joh. 8:59. 10:31.de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?

9Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;

10Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.

11Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lázarus, onze vriend, Matt. 9:24. Mark. 5:39. Luk. 8:52.slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.

12Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.

13Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.

14Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lázarus is gestorven.

15En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.

16Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.

17Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.

18(Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën van daar.)

19En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.

20Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.

21Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;

22Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.

23Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.

24Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de Dan. 12:2. Luk. 14:14. Joh. 5:29.opstanding ten laatsten dage.

25Jezus zeide tot haar: Joh. 1:4. 5:24. 14:6.Ik ben de Opstanding en het Leven; Joh. 3:16, 36. 6:47. 1 Joh. 5:10.die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;

26Joh. 6:51.En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

27Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; Matt. 16:16. Mark. 8:29. Luk. 9:20. Joh. 6:69.ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.

28En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.

29Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.

30(Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)

31De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.

32Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven.

33Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;

34En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.

35Luk. 19:41.Jezus weende.

36De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!

37En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Joh. 9:6.Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?

38Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.

39Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.

40Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?

41Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.

42Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; Joh. 12:30.maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.

43En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lázarus, kom uit!

44En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden Joh. 20:7.met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.

45Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem.

46Maar sommigen van hen gingen tot de farizeeën, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had.

De farizeeën beraadslagen om Jezus te doden

47Ps. 2:2. Matt. 26:3. Mark. 14:1. Luk. 22:2. Hand. 4:27.De overpriesters dan en de farizeeën vergaderden den raad, en zeiden: Joh. 12:19.Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.

48Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.

49En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets;

50En gij overlegt niet, Joh. 18:14.dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.

51En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;

52En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, Efez. 2:14, 15, 16.tot één zou vergaderen.

53Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.

54Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraïm, en verkeerde aldaar met Zijn discipelen.

55En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.

56Joh. 7:11.Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest?

57De overpriesters nu en de farizeeën hadden een gebod gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten vangen.