Johannes 17
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Johannes

HSV

Het hogepriesterlijk gebed

1Dit sprak Jezus, en Hij sloeg Zijn ogen op naar de hemel en zei: Vader, Joh. 12:23; 13:32het uur is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijkt,

2Ps. 8:7; Matt. 11:27; 28:18; Luk. 10:22; Joh. 3:35; 5:27; 1 Kor. 15:25; Filipp. 2:10; Hebr. 2:8zoals U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat Hij eeuwig leven geeft aan allen die U Hem gegeven hebt.

3En Jes. 53:11; Jer. 9:23dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.

4Joh. 13:32; 14:13Ik heb U verheerlijkt op de aarde. Joh. 4:34; 19:30Ik heb het werk volbracht dat U Mij gegeven hebt om te doen.

5En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid Joh. 1:1,2; 10:30; 14:9die Ik bij U bezat voordat de wereld er was.

6Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren van U en U hebt hen Mij gegeven, en zij hebben Uw woord in acht genomen.

7Nu hebben zij erkend dat alles wat U Mij gegeven hebt, bij U vandaan komt.

8Want de woorden die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze aangenomen, Joh. 16:27en zij hebben daadwerkelijk erkend dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd dat U Mij gezonden hebt.

9Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen die U Mij gegeven hebt, want zij zijn van U.

10En Joh. 16:15al wat van Mij is, is van U, en wat van U is, is van Mij; en Ik ben in hen verheerlijkt.

11En Ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en Ik kom naar U toe. Heilige Vader, bewaar hen die U Mij gegeven hebt in Uw Naam, opdat zij één zullen zijn zoals Wij.

12Joh. 6:39; 10:28; 18:9Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik hen in Uw Naam. Jes. 8:18; Hebr. 2:13Hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard en niemand uit hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat Ps. 109:8de Schrift vervuld wordt.

13Maar nu kom Ik naar U toe en spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn blijdschap in zichzelf hebben.

14Ik heb hun Uw woord gegeven, Joh. 15:19en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn, zoals Ik niet van de wereld ben.

15Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze.

16Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben.

17Heilig hen door Uw waarheid; Joh. 8:40Uw woord is de waarheid.

18Joh. 20:21Zoals U Mij in de wereld gezonden hebt, heb ook Ik hen in de wereld gezonden.

191 Kor. 1:2,30; 1 Thess. 4:7En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn in de waarheid.

20En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij zullen geloven,

21opdat zij allen Joh. 10:38; 14:11; Gal. 3:28één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn, opdat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt.

22En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij Eén zijn;

23Ik in hen, en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld erkent dat U Mij gezonden hebt en hen liefgehad hebt, zoals U Mij hebt liefgehad.

24Joh. 12:26; 14:3Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien, die U Mij gegeven hebt, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld.

25Rechtvaardige Vader, Joh. 15:21; 16:3de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, Vers 8; Joh. 16:27en dezen hebben erkend dat U Mij gezonden hebt.

26En Ik heb hun Uw Naam bekendgemaakt, en zal die bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is, en Ik in hen.

17

Het hogepriesterlijk gebed

1Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, Joh. 12:23. 13:32.de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.

2Ps. 8:7. Matt. 11:27. 28:18. Luk. 10:22. Joh. 3:35. 5:27. 1 Kor. 15:25. Filipp. 2:10. Hebr. 2:8.Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.

3En Jes. 53:11. Jer. 9:23.dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.

4Joh. 13:32. 14:13.Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Joh. 4:34. 19:30.Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen;

5En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, Joh. 1:1, 2. 10:30. 14:9.die Ik bij U had, eer de wereld was.

6Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.

7Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij Mij gegeven hebt, van U is.

8Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, Joh. 16:27.en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.

9Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.

10En Joh. 16:15.al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt.

11En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.

12Joh. 6:39. 10:28. 18:9.Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Jes. 8:18. Hebr. 2:13.Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat Ps. 109:8.de Schrift vervuld worde.

13Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven.

14Ik heb hun Uw woord gegeven; Joh. 15:19.en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.

15Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.

16Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben.

17Heilig ze in Uw waarheid; Joh. 8:40.Uw woord is de waarheid.

18Joh. 20:21.Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden.

191 Kor. 1:2, 30. 1 Thess. 4:7.En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.

20En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.

21Opdat zij allen Joh. 10:38. 14:11. Gal. 3:28.één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.

22En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als Wij Eén zijn;

23Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.

24Joh. 12:26. 14:3.Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld.

25Rechtvaardige Vader, Joh. 15:21. 16:3.de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, Vers 8. Joh. 16:27.en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.

26En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.