Lukas 24
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Lukas

HSV

De opstanding

1En Matt. 28:1; Mark. 16:1; Joh. 20:1op de eerste dag van de week gingen zij, heel vroeg in de morgen, naar het graf en brachten de specerijen mee die zij gereedgemaakt hadden, en sommigen gingen met hen mee.

2Zij nu vonden de steen afgewenteld van het graf.

3En toen ze naar binnen gegaan waren, vonden zij het lichaam van de Heere Jezus niet.

4En het gebeurde toen ze daarover in twijfel waren, zie, twee mannen stonden bij hen in blinkende gewaden.

5En toen zij zeer bevreesd werden en het gezicht naar de grond bogen, zeiden die tegen hen: Waarom zoekt u de Levende bij de doden?

6Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Matt. 16:21; 17:22; 20:18; Mark. 8:31; 9:31; 10:33; Luk. 9:22; 18:31Herinner u hoe Hij tot u gesproken heeft, toen Hij nog in Galilea was:Opgestaan vs. opgewekt: De SV heeft hier gekozen voor opgestaan. Dit is op zich geen onjuiste vertaling. Het Grieks heeft echter twee werkwoorden met deze betekenis, nl. anistèmi en egeiroo. Het eerste betekent letterlijk opstaan terwijl het andere eigenlijk opwekken betekent. Theologisch gezien is het verschil tussen opstaan en opwekken niet zonder betekenis. Om die reden heeft de HSV ervoor gekozen om op plaatsen waar het om de opstanding van Christus gaat, beide begrippen verschillend te vertalen.

7De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in handen van zondige mensen en gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.

8En zij Joh. 2:22herinnerden zich Zijn woorden.

9Matt. 28:8; Mark. 16:10En toen zij teruggekeerd waren van het graf, berichtten ze dit alles aan de elf discipelen en aan alle anderen.

10En het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus, en de anderen die bij hen waren, die dit tegen de apostelen zeiden.

11En hun woorden leken hun kletspraat en zij geloofden hen niet.

12Joh. 20:3,6Maar Petrus stond op en snelde naar het graf en toen hij zich vooroverboog, zag hij alleen de linnen doeken liggen. En hij ging weg en verwonderde zich over wat er gebeurd was.



Lopen vs. snellen: Het woordje lopen zoals dat door de Statenvertalers gebruikt werd, had in de 17e eeuw de betekenis van snel lopen. Vandaar dat de HSV het grondwoord in veel gevallen met snellen, wegsnellen of toesnellen vertaalt. Op ander plaatsen, waar het om een wedstrijd gaat, is gekozen voor hardlopen. Een enkele keer is gewoon lopen voldoende omdat het zinsverband voldoende duidelijk maakt dat het om hardlopen gaat. In 2 Thes. 3:1 heeft het grondwoord een wat meer abstracte betekenis. Daar is gekozen voor zijn loop hebben.

De Emmaüsgangers

13Mark. 16:12En zie, twee van hen gingen op diezelfde dag naar een dorp dat zestig stadiën24:13 stadiën - Eén stadie bedraagt ongeveer 185 meter. van Jeruzalem verwijderd was en waarvan de naam Emmaüs was.

14En zij spraken met elkaar over al deze dingen die gebeurd waren.

15En het gebeurde, terwijl zij met elkaar spraken en van gedachten wisselden, Vers 36; Matt. 18:20dat Jezus Zelf bij hen kwam en met hen meeliep.

16Maar hun ogen werden gesloten gehouden, zodat zij Hem niet herkenden.

17En Hij zei tegen hen: Wat zijn dit voor gesprekken die u al lopend met elkaar voert en waarom ziet u er zo bedroefd uit?

18En de één, van wie de naam Kleopas was, antwoordde en zei tegen Hem: Bent U als enige een vreemdeling in Jeruzalem dat U niet weet welke dingen daar in deze dagen gebeurd zijn?

19En Hij zei tegen hen: Welke dan? En zij zeiden tegen Hem: De dingen met betrekking tot Jezus de Nazarener, Luk. 7:16; Joh. 4:19; 6:14Die een Profeet was, machtig in werken en woorden voor God en heel het volk;

20en hoe onze overpriesters en leiders Hem overgeleverd hebben om Hem ter dood te veroordelen, en Hem gekruisigd hebben.

21En wij hoopten dat Hij het was Hand. 1:6Die Israël zou verlossen. Maar al met al is het vandaag de derde dag sinds deze dingen gebeurd zijn.

22Matt. 28:8; Mark. 16:10; Joh. 20:18Maar ook hebben sommige vrouwen uit ons midden, die vroeg in de morgen bij het graf geweest zijn, ons versteld doen staan.

23En toen zij Zijn lichaam niet vonden, kwamen ze zeggen dat ze zelfs een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden dat Hij leeft.

24En sommigen van hen die bij ons waren, gingen naar het graf en troffen het ook zo aan als de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen zij niet.

25En Hij zei tegen hen: O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben!

26Jes. 50:6; 53:5; Filipp. 2:7; Hebr. 12:2; 1 Petr. 1:11Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?

27Gen. 3:15; 22:18; 26:4; 49:10; Deut. 18:15En Hij begon bij Mozes en Ps. 132:11; Jes. 7:14; 9:5; 40:10; Jer. 23:5; 33:14; Ezech. 34:23; 37:25; Dan. 9:24; Micha 7:20al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was.

28En zij kwamen dicht bij het dorp waar ze naartoe gingen en Hij deed alsof Hij verder zou gaan.

29Gen. 19:3En zij drongen er bij Hem op aan en zeiden: Hand. 16:15; Hebr. 13:2Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is gedaald. En Hij ging naar binnen om bij hen te blijven.

30En het gebeurde, toen Hij met hen aan tafel aanlag, dat Hij het brood nam en het zegende. En toen Hij het gebroken had, gaf Hij het aan hen.

31En hun ogen werden geopend, en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.

32En zij zeiden tegen elkaar: Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en voor ons de Schriften opende?

33En op datzelfde moment stonden zij op en keerden terug naar Jeruzalem, en vonden de elf discipelen en hen die bij hen waren, bijeen.

34Die zeiden: De Heere is werkelijk opgewekt 1 Kor. 15:5en is aan Simon verschenen.Opgestaan vs. opgewekt: De SV heeft hier gekozen voor opgestaan. Dit is op zich geen onjuiste vertaling. Het Grieks heeft echter twee werkwoorden met deze betekenis, nl. anistèmi en egeiroo. Het eerste betekent letterlijk opstaan terwijl het andere eigenlijk opwekken betekent. Theologisch gezien is het verschil tussen opstaan en opwekken niet zonder betekenis. Om die reden heeft de HSV ervoor gekozen om op plaatsen waar het om de opstanding van Christus gaat, beide begrippen verschillend te vertalen.

35En zij vertelden wat er onderweg gebeurd was, en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood.

Verschijning aan de elf apostelen

36Mark. 16:14; Joh. 20:19; 1 Kor. 15:5En toen zij over deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij u.

37En zij werden angstig en zeer bevreesd en dachten dat ze een geest zagen.

38En Hij zei tegen hen: Waarom bent u in verwarring en waarom komen zulke overwegingen op in uw hart?

39Zie Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf. Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb.

40En terwijl Hij dit zei, liet Hij hun de handen en de voeten zien.Dit vers komt niet in alle Griekse manuscripten voor.

41En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: Joh. 21:10Hebt u hier iets te eten?

42En zij gaven Hem een stuk van een gebakken vis en van een honingraat.

43En Hij nam het aan en at het voor hun ogen op.

44En Hij zei tegen hen: Vers 6; Matt. 16:21; 17:22; 20:18; Mark. 8:31; 9:31; 10:33; Luk. 9:22; 18:31Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles vervuld moest worden wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes en in de Profeten en in de Psalmen.

45Toen opende Hij hun verstand zodat zij de Schriften begrepen.

46En Hij zei tegen hen: Ps. 22:7; Hand. 17:3Zo staat er geschreven en zo moest de Christus lijden en uit de doden opstaan op de derde dag.

47En in Zijn Naam moet onder alle volken bekering en Hand. 13:38; 1 Joh. 2:12vergeving van zonden gepredikt worden, Hand. 2:4te beginnen bij Jeruzalem.

48En u bent van deze dingen getuigen.

49Joh. 14:26; 15:26; 16:7; Hand. 1:4En zie, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; Hand. 1:4maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u met kracht uit de hoogte bekleed zult worden.

De hemelvaart

50Hand. 1:12Hij leidde hen naar buiten tot bij Bethanië. En Hij hief Zijn handen op en zegende hen.

51Mark. 16:19; Hand. 1:9En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij Zich van hen verwijderde. En Hij werd opgenomen in de hemel.

52En zij aanbaden Hem en keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap.

53En zij waren voortdurend in de tempel, terwijl ze God loofden en dankten. Amen.

SV

24

De opstanding

1En Matt. 28:1. Mark. 16:1. Joh. 20:1.op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar.

2En zij vonden den steen afgewenteld van het graf.

3En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet.

4En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende klederen.

5En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?

6Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Matt. 16:21. 17:22. 20:18. Mark. 8:31. 9:31. 10:33. Luk. 9:22. 18:31.Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galiléa was,

7Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.

8En zij werden Joh. 2:22.indachtig Zijner woorden.

9Matt. 28:8. Mark. 16:10.En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elven, en aan al de anderen.

10En deze waren Maria Magdaléna, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.

11En haar woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet.

12Joh. 20:3, 6.Doch Petrus opstaande, liep tot het graf, en nederbukkende, zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven van hetgeen geschied was.

De Emmaüsgangers

13Mark. 16:12.En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;

14En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren.

15En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, Vers 36. Matt. 18:20.dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.

16En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.

17En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?

18En de een, wiens naam was Kléopas, antwoordende, zeide tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn?

19En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus den Nazaréner, Luk. 7:16. Joh. 4:19. 6:14.Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.

20En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.

21En wij hoopten, dat Hij was Degene, Hand. 1:6.Die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn.

22Matt. 28:8. Mark. 16:10. Joh. 20:18.Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;

23En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.

24En sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.

25En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!

26Jes. 50:6. 53:5. Filipp. 2:7. Hebr. 12:2. 1 Petr. 1:11.Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?

27Gen. 3:15. 22:18. 26:4. 49:10. Deut. 18:15.En begonnen hebbende van Mozes en Ps. 132:11. Jes. 7:14. 9:5. 40:10. Jer. 23:5. 33:14. Ezech. 34:23. 37:25. Dan. 9:24. Micha 7:20.van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

28En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou.

29Gen. 19:3.En zij dwongen Hem, zeggende: Hand. 16:15. Hebr. 13:2.Blijf met ons; want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.

30En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.

31En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.

32En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?

33En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;

34Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, 1 Kor. 15:5.en is van Simon gezien.

35En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.

Verschijning aan de elf apostelen

36Mark. 16:14. Joh. 20:19. 1 Kor. 15:5.En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!

37En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen.

38En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?

39Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.

40En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.

41En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Joh. 21:10.Hebt gij hier iets om te eten?

42En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.

43En Hij nam het, en at het voor hun ogen.

44En Hij zeide tot hen: Vers 6. Matt. 16:21. 17:22. 20:18. Mark. 8:31. 9:31. 10:33. Luk. 9:22. 18:31.Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.

45Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.

46En zeide tot hen: Ps. 22:7. Hand. 17:3.Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage;

47En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en Hand. 13:38. 1 Joh. 2:12.vergeving der zonden, onder alle volken, Hand. 2:4.beginnende van Jeruzalem.

48En gij zijt getuigen van deze dingen.

49Joh. 14:26. 15:26. 16:7. Hand. 1:4.En ziet, Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; Hand. 1:4.maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.

De hemelvaart

50Hand. 1:12.En Hij leidde hen buiten tot aan Bethánië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.

51Mark. 16:19. Hand. 1:9.En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.

52En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.

53En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen.