Lukas 9
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Lukas

HSV

De uitzending van de twaalf

1Hij riep Matt. 10:1; Mark. 3:13; 6:7; Luk. 6:13Zijn twaalf discipelen bijeen en gaf aan hen kracht en macht over alle demonen, en om ziekten te genezen,Discipelen: Het woord “discipelen” komt niet in alle Griekse manuscripten voor.

Discipelen: Het woord “discipelen” komt niet in alle Griekse manuscripten voor.

Demonen: Er zijn in het Grieks twee verschillende woorden die in de SV allebei met duivel zijn vertaald zodat het onderlinge verschil niet meer zichtbaar is. Dat is in dit geval een gemis, omdat het verschil in betekenis tussen de twee betreffende termen niet zonder relevantie is. Het Griekse diabolos verwijst namelijk naar de duivel zelf, terwijl het woord daimoon betrekking heeft op een engel van de duivel. Vandaar dat besloten is om het eerste woord met duivel te vertalen en het tweede met demon.

2Matt. 10:7en Hij zond hen op weg om het Koninkrijk van God te prediken en de zieken te genezen.

3En Hij zei tegen hen: Matt. 10:9; Mark. 6:8; Luk. 22:35Neem niets mee voor onderweg: geen staf, geen reiszak, geen brood, geen geld. Ook mag niemand van u twee stel onderkleren bij zich hebben.

4En welk huis u ook zult binnengaan, blijf daar en vertrek van daaruit.

5Matt. 10:14; Mark. 6:11; Luk. 10:11; Hand. 13:51; 18:6En als ze u niet zullen ontvangen, vertrek dan uit die stad en schud ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.

6Zij vertrokken en reisden door alle dorpen, en zij verkondigden het Evangelie en genazen overal de zieken.

Herodes wil Jezus zien

7Matt. 14:1; Mark. 6:14Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen die door Hem gebeurden. En hij verkeerde in onzekerheid, omdat door sommigen gezegd werd dat Johannes uit de doden was opgewekt,

8en door anderen dat Elia verschenen was, en door weer anderen dat een van de oude profeten opgestaan was.

9En Herodes zei: Johannes heb ik onthoofd. Wie is Deze dan over Wie ik zulke dingen hoor? En hij probeerde Hem te zien te krijgen.

De eerste wonderbare spijziging

10Mark. 6:30En toen de apostelen teruggekeerd waren, vertelden zij Hem alles wat zij gedaan hadden. Matt. 14:13; Mark. 6:31,32Hij nam hen mee en vertrok, alleen met hen, naar een eenzame plaats bij een stad die Bethsaïda heette.

11Toen de menigte dat merkte, volgden zij Hem. Hij ontving hen en sprak tot hen over het Koninkrijk van God; en hen die genezing nodig hadden, maakte Hij gezond.

12Matt. 14:15; Mark. 6:35; Joh. 6:5De dag begon te dalen. De twaalf kwamen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Stuur de menigte weg, opdat zij naar de omliggende dorpen en gehuchten gaan om onderdak en voedsel te vinden, want wij zijn hier op een eenzame plaats.

13Matt. 14:16; Mark. 6:37; Joh. 6:9Maar Hij zei tegen hen: Geeft u hun te eten. Zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, of wij zouden voor al dit volk voedsel moeten gaan kopen.

14Er waren namelijk ongeveer vijfduizend mannen. Maar Hij zei tegen Zijn discipelen: Laat hen gaan zitten in groepen, elk van vijftig.

15En zij deden dat en lieten allen plaatsnemen.

16En nadat Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, keek Hij op naar de hemel, 1 Sam. 9:13en Hij zegende ze, brak ze en gaf ze aan de discipelen om aan de menigte voor te zetten.

17En zij aten en werden allen verzadigd. Wat zij overhadden van de stukken brood, werd opgeraapt: twaalf manden.

De belijdenis van Petrus

18Matt. 16:13; Mark. 8:27En het gebeurde, toen Hij in persoonlijk gebed was, dat de discipelen in Zijn nabijheid waren. En Hij vroeg hun: Wie zeggen de menigten dat Ik ben?

19Zij antwoordden en zeiden: Matt. 14:2Johannes de Doper, en anderen: Elia, en weer anderen dat een van de oude profeten opgestaan is.

20Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? Petrus antwoordde en zei: Joh. 6:69De Christus van God.

Eerste aankondiging van het lijden

21En Hij sprak hen streng toe en beval dat zij dit tegen niemand zeggen zouden.

22Hij zei: Matt. 16:21; 17:22; Mark. 8:31; 9:31; 10:33; Luk. 18:31; 24:7De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden, en Hij moet gedood en op de derde dag opgewekt worden.

Aansporing tot zelfverloochening

23Hij zei tegen allen: Matt. 10:38; 16:24; Mark. 8:34; Luk. 14:27Als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij volgen.

24Matt. 10:39; 16:25; Mark. 8:35; Luk. 17:33; Joh. 12:25Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliezen zal omwille van Mij, die zal het behouden.

25Want wat baat het een mens heel de wereld te winnen en zichzelf te verliezen of zelf schade te lijden?

26Matt. 10:33; Mark. 8:38; Luk. 12:9; 2 Tim. 2:12; 1 Joh. 2:23Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij zal komen in Zijn heerlijkheid en in die van de Vader en in die van de heilige engelen.

27Matt. 16:28; Mark. 9:1En Ik zeg u in waarheid: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, voordat zij het Koninkrijk van God gezien hebben.

De verheerlijking op de berg

28Matt. 17:1; Mark. 9:2Het gebeurde ongeveer acht dagen na deze woorden dat Hij Petrus en Johannes en Jakobus meenam en de berg opklom om te bidden.

29En het gebeurde terwijl Hij bad, dat de aanblik van Zijn gezicht veranderd werd9:29 veranderd werd - Letterlijk: een andere werd. en Zijn kleding blinkend wit werd.

30En zie, twee mannen spraken met Hem; het waren Mozes en Elia.

31Zij verschenen in heerlijkheid en spraken over Zijn heengaan, dat Hij zou volbrengen in Jeruzalem.

32Petrus en zij die bij hem waren, waren bevangen door slaap. Toen ze wakker geworden waren, zagen zij Zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden.

33En het gebeurde, toen zij bij Hem vandaan zouden gaan, dat Petrus tegen Jezus zei: Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij drie tenten maken, voor U een, voor Mozes een en voor Elia een; hij wist echter niet wat hij zei.

34Terwijl hij dit zei, kwam er een wolk, en die overschaduwde hen. Zij werden bevreesd toen zij de wolk ingingen.

35Jes. 42:1; Matt. 3:17; 17:5; Mark. 1:11; 9:7; Luk. 3:22; Kol. 1:13; 2 Petr. 1:17En er kwam een stem uit de wolk, die zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, Deut. 18:19; Hand. 3:22luister naar Hem!

36En toen de stem geklonken had, bevond Jezus Zich daar alleen. En zij zwegen en vertelden in die dagen niemand iets van wat zij gezien hadden.

De maanzieke jongen

37Matt. 17:14; Mark. 9:17Het gebeurde de volgende dag, toen zij van de berg afdaalden, dat een grote menigte Hem tegemoet kwam.

38En zie, een man uit de menigte riep: Meester, ik bid U, kijk toch naar mijn zoon, want hij is mijn enig kind.

39En zie, een geest grijpt hem en meteen schreeuwt hij; en hij doet hem zo stuiptrekken dat hij schuim op zijn mond krijgt; hij gaat nauwelijks bij hem vandaan en mishandelt hem.

40En ik heb Uw discipelen gevraagd hem uit te drijven, maar zij konden het niet.

41Jezus antwoordde en zei: O ongelovig en ontaard geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen? Breng uw zoon hier.

42Terwijl hij naar Hem toe ging, wierp de demon hem tegen de grond en deed hem stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest, genas het kind en gaf het aan zijn vader terug.Demonen: Er zijn in het Grieks twee verschillende woorden die in de SV allebei met duivel zijn vertaald zodat het onderlinge verschil niet meer zichtbaar is. Dat is in dit geval een gemis, omdat het verschil in betekenis tussen de twee betreffende termen niet zonder relevantie is. Het Griekse diabolos verwijst namelijk naar de duivel zelf, terwijl het woord daimoon betrekking heeft op een engel van de duivel. Vandaar dat besloten is om het eerste woord met duivel te vertalen en het tweede met demon.

Tweede aankondiging van het lijden

43Zij allen stonden versteld van de grootheid van God. Toen zij zich allen verwonderden over alle dingen die Hij deed, zei Jezus tegen Zijn discipelen:

44Laat deze woorden tot uw oren doordringen,9:44 Laat … doordringen - Letterlijk: Legt u deze woorden in uw oren. want Matt. 17:22; Mark. 9:31de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen.

45Luk. 2:50; 18:34Maar zij begrepen dat woord niet en het bleef voor hen verborgen, zodat het niet tot hen doordrong. En zij vreesden Hem een vraag te stellen over dat woord.

Waarschuwing tegen eerzucht

46Matt. 18:1; Mark. 9:33; Luk. 22:24Er ontstond een meningsverschil onder hen over de vraag wie van hen de belangrijkste was.

47Maar toen Jezus de overweging van hun hart zag, nam Hij een kind en zette dat bij Zich.

48Matt. 18:5; Mark. 9:37; Joh. 13:20En Hij zei tegen hen: Wie dit kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij, Luk. 10:16; Joh. 13:20en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft. Matt. 23:11; Luk. 14:11; 18:14Want wie de minste onder u allen is, die zal belangrijk zijn.

49Mark. 9:38Johannes antwoordde en zei: Meester, wij hebben iemand gezien die in Uw Naam demonen uitdreef, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U niet samen met ons volgt.Demonen: Er zijn in het Grieks twee verschillende woorden die in de SV allebei met duivel zijn vertaald zodat het onderlinge verschil niet meer zichtbaar is. Dat is in dit geval een gemis, omdat het verschil in betekenis tussen de twee betreffende termen niet zonder relevantie is. Het Griekse diabolos verwijst namelijk naar de duivel zelf, terwijl het woord daimoon betrekking heeft op een engel van de duivel. Vandaar dat besloten is om het eerste woord met duivel te vertalen en het tweede met demon.

50En Jezus zei tegen hem: Verbied het niet, want Matt. 12:30; Luk. 11:23wie niet tegen ons is, die is voor ons.

Jezus door Samaritanen verworpen

51Het geschiedde, toen de dagen van Zijn Mark. 16:19; Hand. 1:2; 1 Tim. 3:16opneming vervuld werden, dat Hij Zijn aangezicht naar Jeruzalem keerde om daarheen te reizen.

52En Hij stuurde boden voor Zijn aangezicht uit. Op hun reis kwamen zij in een dorp van de Samaritanen om voor Hem voorbereidingen te treffen.

53Maar zij ontvingen Hem niet, Joh. 4:9omdat Hij op reis was naar Jeruzalem, waarheen Zijn aangezicht gericht was.

54Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook 2 Kon. 1:10,12Elia gedaan heeft?

55Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor Geest u hebt,Geest vs. geest: De KT leggen dit vers uit als een verwijt aan de discipelen dat mensen die Gods Geest hebben, niet op de ondergang van anderen uit zouden moeten zijn. Daarnaast suggereren zij een andere mogelijke interpretatie, namelijk dat de discipelen door een geest van wraaklust geleid zouden worden. In dat geval zou geest met een kleine letter geschreven moeten worden.

56Joh. 3:17; 12:47want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden. En zij gingen naar een ander dorp.

Het volgen van Jezus

57Matt. 8:19Het gebeurde, toen zij onderweg waren, dat iemand tegen Hem zei: Heere, ik zal U volgen waar U ook heen gaat.

58Maar Jezus zei tegen hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen.

59Matt. 8:21Tegen een ander zei Hij: Volg Mij. Maar die zei: Heere, sta mij toe dat ik wegga om eerst mijn vader te begraven.

60Matt. 8:22Maar Jezus zei tegen hem: Laat de doden hun doden begraven, maar u, ga heen en verkondig het Koninkrijk van God.

61Weer een ander zei: Heere, ik zal U volgen, maar 1 Kon. 19:20sta mij eerst toe dat ik afscheid neem van hen die in mijn huis zijn.

62Jezus zei tegen hem: Spr. 26:11; Filipp. 3:14; Hebr. 6:5; 2 Petr. 2:20Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en kijkt naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God.

SV

9

Uitzending der twaalven

1En Matt. 10:1. Mark. 3:13. 6:7. Luk. 6:13.Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.

2Matt. 10:7.En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken.

3En Hij zeide tot hen: Matt. 10:9. Mark. 6:8. Luk. 22:35.Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben.

4En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.

5Matt. 10:14. Mark. 6:11. Luk. 10:11. Hand. 13:51. 18:6.En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.

Heródes en Johannes

6En zij, uitgaande, doorgingen al de vlekken, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal.

7Matt. 14:1. Mark. 6:14.En Heródes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan;

8En van sommigen, dat Elías verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de ouden was opgestaan.

9En Heródes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welken ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien.

De twaalven wedergekeerd

10Mark. 6:30.En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. Matt. 14:13. Mark. 6:31, 32.En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats der stad, genaamd Bethsáïda.

11En de scharen, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond.

De wonderbare spijziging

12Matt. 14:15. Mark. 6:35. Joh. 6:5.En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.

13Matt. 14:16. Mark. 6:37. Joh. 6:9.Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;

14Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.

15En zij deden alzo, en deden hen allen nederzitten.

16En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar den hemel, 1 Sam. 9:13.en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om der schare voor te leggen.

17En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.

Belijdenis van Petrus

18Matt. 16:13. Mark. 8:27.En het geschiedde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben?

19En zij, antwoordende, zeiden: Matt. 14:2.Johannes de Doper; en anderen: Elías; en anderen: Dat enig profeet van de ouden opgestaan is.

20En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij, dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide: De Joh. 6:69.Christus Gods.

Eerste aankondiging van het lijden

21En Hij gebood hun scherpelijk en beval, dat zij dit niemand zeggen zouden;

22Zeggende: Matt. 16:21. 17:22. Mark. 8:31. 9:31. 10:33. Luk. 18:31. 24:7.De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden.

23En Hij zeide tot allen: Matt. 10:38. 16:24. Mark. 8:34. Luk. 14:27.Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.

24Matt. 10:39. 16:25. Mark. 8:35. Luk. 17:33. Joh. 12:25.Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden.

25Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en zichzelven verliezen, of schade zijns zelfs lijden?

26Matt. 10:33. Mark. 8:38. Luk. 12:9. 2 Tim. 2:12. 1 Joh. 2:23.Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid des Vaders, en der heilige engelen.

27Matt. 16:28. Mark. 9:1.En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen dergenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk Gods zullen gezien hebben.

De verheerlijking

28Matt. 17:1. Mark. 9:2.En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij medenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op den berg, om te bidden.

29En als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezichts veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende.

30En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elías.

31Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.

32Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden.

33En het geschiedde, als zij van Hem afscheidden, zo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elías een; niet wetende, wat hij zeide.

34Als hij nu dit zeide, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.

35Jes. 42:1. Matt. 3:17. 17:5. Mark. 1:11. 9:7. Luk. 3:22. Kol. 1:13. 2 Petr. 1:17.En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; Deut. 18:19. Hand. 3:22.hoort Hem!

36En als de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.

Genezing van een maanzieken knaap

37Matt. 17:14. Mark. 9:17.En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat Hem een grote schare in het gemoet kwam.

38En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene.

39En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem.

40En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.

41En Jezus, antwoordende, zeide: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, en ulieden verdragen? Breng uw zoon hier.

42En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weder.

Tweede aankondiging van het lijden

43En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zeide Hij tot Zijn discipelen:

44Legt gij deze woorden in uw oren: Matt. 17:22. Mark. 9:31.Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in der mensen handen.

45Luk. 2:50. 18:34.Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.

De grootste in het koninkrijk der hemelen

46Matt. 18:1. Mark. 9:33. Luk. 22:24.En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste ware.

47Maar Jezus, ziende de overlegging hunner harten, nam een kindeken, en stelde dat bij Zich;

48Matt. 18:5. Mark. 9:37. Joh. 13:20.En zeide tot hen: Zo wie dit kindeken ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; Luk. 10:16. Joh. 13:20.en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Matt. 23:11. Luk. 14:11. 18:14.Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn.

49Mark. 9:38.En Johannes antwoordde en zeide: Meester! wij hebben een gezien, die in Uw Naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt.

50En Jezus zeide tot hem: Verbied het niet; want Matt. 12:30. Luk. 11:23.wie tegen ons niet is, die is voor ons.

51En het geschiedde, als de dagen Zijner Mark. 16:19. Hand. 1:2. 1 Tim. 3:16.opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen.

52En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden.

53En zij ontvingen Hem niet, Joh. 4:9.omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.

54Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook 2 Kon. 1:10, 12.Elías gedaan heeft?

55Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt.

56Joh. 3:17. 12:47.Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek.

Hoe men Jezus moet volgen

57Matt. 8:19.En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.

58En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.

59Matt. 8:21.En Hij zeide tot een anderen: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave.

60Matt. 8:22.Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods.

61En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar 1 Kon. 19:20.laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn.

62En Jezus zeide tot hem: Spr. 26:11. Filipp. 3:14. Hebr. 6:5. 2 Petr. 2:20.Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.