Maleachi 2
Het boek van de profeet Maleachi

HSV

Strafprediking tegen de priesters

1Nu dan, tot u komt dit gebod, priesters!

2Als u niet luistert en als u het niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de Lev. 26:14; Deut. 28:15vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze al vervloekt, want u neemt het niet ter harte.

3Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen:

Ik zal mest op uw gezicht strooien,

de mest van uw feesten,

en daarmee zal men u wegdragen.

4Dan zult u weten dat Ik dit gebod

tot u gezonden heb,

opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,

zegt de HEERE van de legermachten.

5Mijn verbond met hem was:

het leven en de vrede.

Die gaf Ik hem, tot vrees voor Mij,

en hij vreesde Mij

en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam

was hij verschrikt.

6Betrouwbaar onderwijs in de wet was in zijn mond,

geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.

In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij

en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.

7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,

uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken,

want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.

8U echter, u bent afgeweken van de weg:

velen hebt u door uw onderwijs in de wet doen struikelen.

U hebt het verbond met Levi tenietgedaan,

zegt de HEERE van de legermachten.

9Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt

en onbeduidend voor heel het volk,

want u neemt Mijn wegen niet in acht

en ziet bij uw onderwijs in de wet de persoon aan.2:9 ziet de persoon aan - Letterlijk: u heft aangezichten op.

Volkszonden

10Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen?

11Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd.

12Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, zelfs wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten.

13In de tweede plaats doet u dit:

het altaar van de HEERE bedekken met tranen,

met geween en gekerm,

omdat Hij Zich niet langer tot het graanoffer wendt

en dat in welgevallen uit uw hand aanneemt.

14Dan zegt u: Waarom?

Omdat de HEERE Getuige is tussen u

en de vrouw van uw jeugd,

tegen wie ú trouweloos handelt,

terwijl zíj toch uw metgezellin

en de vrouw van uw verbond is.

15Heeft Hij er niet maar één gemaakt,

hoewel Hij nog geest overhad?

En waarom die ene?

Hij zocht een goddelijk nageslacht.

Daarom, wees op uw hoede met uw geest,

en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.

16Want de HEERE, de God van Israël, zegt

dat Hij het wegsturen van de eigen vrouw haat,

hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,

zegt de HEERE van de legermachten.

Wees dus op uw hoede met uw geest

en handel niet trouweloos.

17U vermoeit de HEERE met uw woorden,

toch zegt u: Waarmee vermoeien wij Hem?

Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,

is in de ogen van de HEERE goed,

Híj is hun genegen.

Of: Waar is de God van het oordeel?

SV

2

Strafprediking tegen de priesters

1En nu, gij priesters! tot u wordt dit gebod gezonden;

2Indien gij het niet zult horen, en indien gij het niet zult ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE der heirscharen, zo zal Ik den Lev. 26:14. Deut. 28:15.vloek onder u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook alrede elkeen derzelve vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt.

3Ziet, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal drek op uw aangezichten strooien, den drek uwer feesten, zodat men u met denzelven wegnemen zal.

4Dan zult gij weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt de HEERE der heirscharen.

5Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt.

6De wet der waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.

7Want de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel des HEEREN der heirscharen.

8Maar gij zijt van den weg afgeweken, gij hebt er velen doen struikelen in de wet, gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de HEERE der heirscharen.

9Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, dewijl gij Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet.

De zonden des volks

10Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouwelooslijk de een tegen den ander, ontheiligende het verbond onzer vaderen?

11Juda handelt trouwelooslijk, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid des HEEREN, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd.

12De HEERE zal den man, die zulks doet, uitroeien uit de hutten van Jakob, dien, die waakt, en dien, die antwoordt, en die den HEERE der heirscharen spijsoffer brengt.

13Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des HEEREN bedekt met tranen, met wening en met zuchting; zodat Hij niet meer het spijsoffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil.

14Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de HEERE een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw uwer jeugd, met dewelke gij trouwelooslijk handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is.

15Heeft Hij niet maar één gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had? En waarom maar dien énen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd.

16Want de HEERE, de God Israëls, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij den wrevel bedekt met Zijn kleed, zegt de HEERE der heirscharen; daarom wacht u met uw geest, dat gij niet trouwelooslijk handelt.

17Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?