Markus 6
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Markus

HSV

Jezus in Nazareth veracht

1En Matt. 13:53; Luk. 4:16Hij ging vandaar weg en kwam in Zijn vaderstad en Zijn discipelen volgden Hem.

2En toen het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te onderwijzen; en velen die luisterden, stonden er versteld van en zeiden: Waar heeft Deze die dingen vandaan en wat is dit voor wijsheid die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren?

3Joh. 6:42Is Dit niet de timmerman, de Zoon van Maria en de Broer van Jakobus en Joses en van Judas en Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.

4En Jezus zei tegen hen: Matt. 13:57; Luk. 4:24; Joh. 4:44Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderstad en bij zijn familie en in zijn huis.

5Matt. 13:58En Hij kon daar geen kracht doen, maar Hij legde slechts enkele zieken de handen op en genas hen.

6En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. En Hij Matt. 9:35; Luk. 13:22trok de dorpen in de omgeving rond en gaf er onderwijs.

De uitzending van de twaalf

7Matt. 10:1; Luk. 6:13; 9:1En Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen twee aan twee uit te zenden en gaf hun macht over de onreine geesten.

8En Hij gebood hun dat zij niets mee zouden nemen voor onderweg dan alleen een staf: geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel;

9Hand. 12:8maar dat zij wel sandalen zouden aanbinden en niet met twee stel onderkleren gekleed zouden zijn.

10En Hij zei tegen hen: Waar u een huis zult binnengaan, blijf daar totdat u uit die plaats vertrekt.

11Matt. 10:14; Luk. 9:5En als er zullen zijn die u niet ontvangen en niet naar u luisteren, Hand. 13:51; 18:6schud dan, als u vandaar weggaat, het stof af dat onder uw voeten zit, tot een getuigenis tegen hen. Matt. 10:15; Luk. 10:12Voorwaar zeg Ik u: Het zal voor Sodom of Gomorra verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor die stad.

12En toen zij weggegaan waren, predikten zij dat men zich moest bekeren.

13En zij dreven veel demonen uit Jak. 5:14en zalfden veel zieken met olie en maakten hen gezond.Demonen: Er zijn in het Grieks twee verschillende woorden die in de SV allebei met duivel zijn vertaald zodat het onderlinge verschil niet meer zichtbaar is. Dat is in dit geval een gemis, omdat het verschil in betekenis tussen de twee betreffende termen niet zonder relevantie is. Het Griekse diabolos verwijst namelijk naar de duivel zelf, terwijl het woord daimoon betrekking heeft op een engel van de duivel. Vandaar dat besloten is om het eerste woord met duivel te vertalen en het tweede met demon.

De dood van Johannes de Doper

14Matt. 14:1; Luk. 9:7En koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was bekend geworden) en zei: Johannes die doopte, is uit de doden opgewekt en daarom zijn die krachten werkzaam in Hem.

15Anderen zeiden: Hij is Elia; en weer anderen zeiden: Hij is een profeet, of Hij is als een van de profeten.

16Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: Dit is Johannes die ik onthoofd heb; die is uit de doden opgewekt.

17Matt. 14:3; Luk. 3:19; 9:9Want Herodes had zelf enigen eropuit gestuurd en Johannes gevangengenomen en hem geboeid in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had;

18want Johannes had tegen Herodes gezegd: Lev. 18:16; 20:21Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.

19En Herodias had het op hem gemunt en wilde hem doden, maar zij kon dat niet,

20want Herodes was bevreesd voor Johannes, omdat hij wist dat deze een Matt. 14:5; 21:26rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem; en als hij hem aangehoord had, ondernam hij vele dingen, en hij luisterde graag naar hem.En als hij hem aangehoord had, ondernam hij vele dingen: Dit wil zeggen dat Herodes veel dingen pas deed na er met Johannes over gesproken te hebben.

21En toen er een geschikte dag aangebroken was en Herodes Gen. 40:20; Matt. 14:6op zijn verjaardag een maaltijd had aangericht voor zijn rijksgroten en de oversten over duizend en de voornaamsten van Galilea,

22kwam de dochter van deze Herodias binnen en danste. En zij behaagde Herodes en degenen die mee aanlagen. Toen zei de koning tegen het meisje: Vraag van mij wat je maar wilt, en ik zal het je geven.

23Richt. 11:30En hij zwoer haar: Wat je van mij ook maar vraagt, ik zal het je geven, tot zelfs de helft van mijn koninkrijk.

24En zij ging weg en zei tegen haar moeder: Wat zal ik vragen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper.

25En zij ging meteen naar binnen, liep haastig naar de koning toe en vroeg: Ik wil dat u mij ogenblikkelijk op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.

26En de koning werd zeer bedroefd, maar wilde haar omwille van de eden en omwille van hen die mee aanlagen, niet afwijzen.

27Matt. 14:10En de koning stuurde meteen een scherprechter en beval zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,

28en hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder.

29En toen zijn discipelen dit hoorden, kwamen zij en namen zijn dode lichaam weg en legden het in een graf.

De wonderbare spijziging

30Luk. 9:10En de apostelen kwamen weer samen bij Jezus en berichtten Hem alles wat zij gedaan en wat zij onderwezen hadden.

31En Hij zei tegen hen: Komt u zelf mee naar een eenzame plaats, alleen, en rust wat uit; want er waren er velen die kwamen en die gingen, Mark. 3:20en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.

32Matt. 14:13; Luk. 9:10; Joh. 6:1En zij vertrokken in een schip naar een eenzame plaats, alleen.

33En de menigten zagen hen weggaan, en velen herkenden Hem en gingen uit alle steden gezamenlijk te voet daarnaartoe; en zij kwamen er vóór hen aan en gingen samen naar Hem toe.

34En toen Jezus uit het schip ging, Matt. 9:36; 14:4zag Hij een grote menigte en was innerlijk met ontferming bewogen over hen, Jer. 23:1; Ezech. 34:2want zij waren als schapen die geen herder hebben; Luk. 9:11en Hij begon hun veel dingen te onderwijzen.

35Matt. 14:15; Luk. 9:12; Joh. 6:5En toen het al laat geworden was,6:35 het … was - Letterlijk: het uur veel geworden was. kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en het is al laat;

36stuur hen weg, opdat zij naar de omliggende gehuchten en dorpen kunnen gaan en broden voor zichzelf kopen, want zij hebben niets te eten.

37Maar Hij antwoordde hun en zei: Geeft u hun te eten. En zij zeiden tegen Hem: Moeten wij voor tweehonderd penningen6:37 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. brood gaan kopen en hun te eten geven?

38En Hij zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Ga eens kijken. Matt. 14:17; Luk. 9:13; Joh. 6:9En toen zij het te weten gekomen waren, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

39En Hij droeg hun op om allen in groepen te laten gaan zitten in het groene gras.

40En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.

41En toen Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, Joh. 17:1keek Hij op naar de hemel, 1 Sam. 9:13zegende en brak de broden en gaf ze aan Zijn discipelen, opdat zij die aan hen zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.

42En zij aten allen en werden verzadigd.

43En zij raapten twaalf manden vol met stukken brood op, en wat over was van de vissen.

44En die de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen.

Jezus loopt op de zee

45Matt. 14:22; Joh. 6:17En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen naar de overkant, naar Bethsaïda, terwijl Hijzelf de menigte weg zou sturen.

46Matt. 14:23; Luk. 6:12En toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden.

47Matt. 14:23; Joh. 6:16En toen het avond was geworden, was het schip midden op de zee en Hijzelf was alleen op het land.

48En Hij zag dat zij veel moeite moesten doen om het schip vooruit te krijgen, want zij hadden de wind tegen; en omstreeks de vierde nachtwake kwam Hij, lopend op de zee, naar hen toe en wilde hun voorbijgaan.

49En toen zij Hem zagen lopen op de zee, dachten zij dat het een spook was en schreeuwden luid,

50want allen zagen Hem en raakten in verwarring; en meteen sprak Hij met hen en zei tegen hen: Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.Ontroerd vs. in verwarring: Op het eerste gezicht lijkt er een groot verschil te zijn tussen het ontroerd worden van de SV en het in verwarring raken in de herziening. Dit is echter niet het geval. Ook hier heeft in de loop der jaren een betekenisverschuiving plaatsgehad. Ontroerd worden betekende in de tijd dat de SV ontstond iets anders dan wat wij er nu onder verstaan. Het Griekse grondwoord tarassoo betekent gewoonweg in verwarring raken. Zo is het ook overal in de HSV weergegeven, behalve in het Evangelie naar Johannes. Daar heeft het namelijk ook betrekking op de Heere Jezus (11:33; 12:27; 13:21) en is in verwarring raken minder gepast. Daarom is in dit boek gekozen voor in beroering raken.

51En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen; en zij waren innerlijk volkomen buiten zichzelf en zij verwonderden zich,Het Griekse werkwoord existèmi betekent letterlijk buiten zichzelf zijn. Dit duidt gewoonlijk op een buitengewoon sterke verbazing zodat men niet meer weet hoe men het heeft. Het zich ontzetten van de SV heeft in de 21e eeuw voornamelijk een negatieve betekenis en die is hier zeker niet bedoeld.

52want zij hadden bij het wonder van de broden niets begrepen, omdat hun hart verhard was.

53Matt. 14:34En toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesaret en legden daar aan.

54En toen zij uit het schip gegaan waren, herkende men Hem meteen.

55En men liep heel die streek door en begon op ligmatten hen die er slecht aan toe waren met zich mee te dragen naar de plaats waarvan ze hoorden dat Hij daar was.

56En waar Hij ook kwam, in dorpen of steden of in gehuchten, daar legden ze de zieken op de markten en smeekten Hem of zij al was het maar de zoom van Zijn bovenkleed mochten aanraken; en allen die Hem aanraakten, werden gezond.

6

Jezus te Názareth veracht

1En Matt. 13:53. Luk. 4:16.Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.

2En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?

3Joh. 6:42.Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geërgerd.

4En Jezus zeide tot hen: Matt. 13:57. Luk. 4:24. Joh. 4:44.Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis.

5Matt. 13:58.En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.

6En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en Matt. 9:35. Luk. 13:22.omging de vlekken daar rondom, lerende.

De uitzending der twaalven

7Matt. 10:1. Luk. 6:13. 9:1.En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.

8En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;

9Hand. 12:8.Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn.

10En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.

11Matt. 10:14. Luk. 9:5.En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, Hand. 13:51. 18:6.schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Matt. 10:15. Luk. 10:12.Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sódom en Gomórra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.

12En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.

13En zij wierpen vele duivelen uit, Jak. 5:14.en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.

Dood van Johannes den Doper

14Matt. 14:1. Luk. 9:7.En de koning Heródes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.

15Anderen zeiden: Hij is Elías; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een der profeten.

16Maar als het Heródes hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.

17Matt. 14:3. Luk. 3:19. 9:9.Want dezelve Heródes, enigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Heródias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.

18Want Johannes zeide tot Heródes: Lev. 18:16. 20:21.Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.

19En Heródias legde op hem toe; en wilde hem doden, en konde niet;

20Want Heródes vreesde Johannes, wetende, dat hij een Matt. 14:5. 21:26.rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.

21En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Heródes, Gen. 40:20. Matt. 14:6.op den dag zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galiléa;

22En als de dochter van dezelve Heródias inkwam, en danste, en Heródes en dengenen, die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.

23Richt. 11:30.En hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks!

24En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.

25En zij, terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het geëist, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Doper.

26En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar hetzelve niet afslaan.

27Matt. 14:10.En de koning zond terstond een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;

28En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve harer moeder.

29En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf.

De wonderbare spijziging

30Luk. 9:10.En de apostelen kwamen weder te zamen tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden.

31En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, Mark. 3:20.en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.

32Matt. 14:13. Luk. 9:10. Joh. 6:1.En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen.

33En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem.

34En Jezus, uitgaande, Matt. 9:36. 14:4.zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; Jer. 23:1. Ezech. 34:2.want zij waren als schapen, die geen herder hebben; Luk. 9:11.en Hij begon hun vele dingen te leren.

35Matt. 14:15. Luk. 9:12. Joh. 6:5.En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag;

36Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen.

37Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?

38En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet het. Matt. 14:17. Luk. 9:13. Joh. 6:9.En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

39En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen, op het groene gras.

40En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.

41En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, Joh. 17:1.zag Hij op naar den hemel, 1 Sam. 9:13.zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen.

42En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.

43En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.

44En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen.

Jezus wandelt op de zee

45Matt. 14:22. Joh. 6:17.En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen aan de andere zijde tegenover Bethsáïda, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.

46Matt. 14:23. Luk. 6:12.En als Hij aan dezelve hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.

47Matt. 14:23. Joh. 6:16.En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.

48En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake des nachts, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan.

49En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer;

50Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het; vreest niet.

51En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven, en waren verwonderd.

52Want zij hadden niet gelet op het wonder der broden; want hun hart was verhard.

53Matt. 14:34.En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennésareth, en havenden aldaar.

54En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij Hem kennende.

55En het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden, dat Hij was.

56En zo waar Hij kwam, in vlekken, of steden, of dorpen, daar legden zij de kranken op de markten, en baden Hem, dat zij maar den zoom Zijns kleeds aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond.