Mattheüs 25
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Mattheüs

HSV

De wijze en de dwaze meisjes

1Dan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien meisjes, die hun lampen namen en op weg gingen, de bruidegom tegemoet.Maagd vs. meisje: De betekenis van het Griekse parthenos heeft twee belangrijke aspecten, nl. (1) een ongehuwde jonge vrouw, en (2) een vrouw nog nooit met een man geslapen heeft. In de zeventiende eeuw had het Nederlandse woordje maagd min of meer dezelfde betekenis. Dat kunnen we heden ten dage niet meer zeggen. De beide aspecten vallen niet meer samen binnen één woord. Voor de ongehuwde jonge vrouw gebruiken we tegenwoordig het woord meisje en we kunnen er niet meer automatisch van uitgaan dat elk meisje een maagd is. Het woord maagd is in het Nederlands van vandaag de dag dan ook een specifieke term geworden voor een vrouw (de leeftijd doet nauwelijks meer ter zake) die nog geen geslachtsverkeer heeft gehad. Soms wordt het tegenwoordig zelfs voor mannen gebruikt! In Mattheüs 25 staat duidelijk het eerste aspect centraal. Het gaat daar om de jonge bruidsmeisjes die een belangrijke functie hadden bij een huwelijksvoltrekking. Hun maagdelijkheid is in dit verband van veel minder belang. Vandaar dat de HSV voor meisjes heeft gekozen. In Mattheüs 1:23 ligt het heel anders. Hier staat het wonder van de maagdelijke geboorte centraal en is voor maagd gekozen.

2Vijf van hen waren wijs en vijf waren dwaas.

3Zij die dwaas waren, namen wel hun lampen maar geen olie met zich mee.

4De wijzen namen met hun lampen ook olie mee in hun kruikjes.

5Toen de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en vielen in slaap.

6En te middernacht klonk er een geroep: Zie, de bruidegom komt, ga naar buiten, hem tegemoet!

7Toen stonden al die meisjes op en maakten hun lampen in orde.

8De dwazen zeiden tegen de wijzen: Geef ons van uw olie, want onze lampen gaan uit.

9Maar de wijzen antwoordden: In geen geval, anders is er misschien niet genoeg voor ons en u. Ga liever naar de verkopers en koop olie voor uzelf.

10Toen zij weggingen om olie te kopen, kwam de bruidegom; en zij die gereed waren, gingen met hem naar binnen naar de bruiloft, en de deur werd gesloten.

11Later kwamen ook de andere meisjes, die zeiden: Heer, heer, doe ons open!

12Hij antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u: ik Matt. 7:23; Luk. 13:25ken u niet.

13Matt. 24:42; Mark. 13:33,35Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal.

De talenten

14Luk. 19:12Want het is als iemand die naar het buitenland ging, zijn eigen dienaren bij zich riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde.

15En aan de één gaf hij vijf talenten, aan de ander twee en aan de derde één, ieder naar zijn bekwaamheid, en hij reisde meteen weg.

16Hij die de vijf talenten ontvangen had, ging weg en handelde daarmee en hij verdiende vijf andere talenten erbij.

17Evenzo verdiende degene die de twee talenten ontvangen had, er nog twee bij.

18Maar hij die het ene ontvangen had, ging weg en groef een gat in de grond en verborg het geld van zijn heer.

19Na lange tijd kwam de heer van die dienaren terug en hield afrekening met hen.

20En degene die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht nog vijf talenten bij hem, en hij zei: Heer, vijf talenten hebt u mij gegeven; zie, nog vijf talenten heb ik aan winst gemaakt.

21Zijn heer zei tegen hem: Goed gedaan, goede en trouwe dienaar, Matt. 24:45; Luk. 12:42over weinig bent u trouw geweest, over veel zal ik u aanstellen; ga in, in de vreugde van uw heer.

22En degene die de twee talenten ontvangen had, kwam ook naar hem toe en zei: Heer, twee talenten hebt u mij gegeven, zie, twee andere talenten heb ik aan winst gemaakt.

23Zijn heer zei tegen hem: Goed gedaan, goede en trouwe dienaar, over weinig bent u trouw geweest, over veel zal ik u aanstellen; ga in, in de vreugde van uw heer.

24Maar hij die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zei: Heer, ik wist dat u een streng man bent, omdat u maait waar u niet gezaaid hebt, en inzamelt van de plaats waar u niet gestrooid hebt.

25En ik ben bevreesd weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond; zie, hier hebt u het uwe.

26Maar zijn heer antwoordde en zei tegen hem: Slechte en luie dienaar, u wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb en van de plaats inzamel waar ik niet gestrooid heb.

27Dan had u mijn geld aan de bankiers moeten geven, en ik zou bij mijn komst het mijne met rente teruggekregen hebben.Woeker vs. rente: Het woord woeker heeft een betekenisverschuiving ondergaan. Het betreft tegenwoordig situaties waar geld beschikbaar wordt gesteld tegen een excessief hoge rente. In de tijd van de Statenvertaling had dit woord een veel minder negatieve betekenis, zoals op te maken valt uit Mattheüs 25:27 en de kanttekening bij Handelingen 20:35. Vandaar dat de HSV met de meeste andere hedendaagse Nederlandse vertalingen voor rente gekozen heeft.

28Neem daarom het talent van hem af en geef het aan hem die de tien talenten heeft.

29Matt. 13:12; Mark. 4:25; Luk. 8:18; 19:26Want ieder die heeft, aan hem zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van hem die niet heeft, van hem zal afgenomen worden ook wat hij heeft.

30En werp de onnutte dienaar uit in de buitenste duisternis; Matt. 8:12; 13:42; 22:13; 24:51; Luk. 13:28daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

Het laatste oordeel

31Matt. 16:27; 26:64; Mark. 14:62; Luk. 21:27; Hand. 1:11; 1 Thess. 4:16; 2 Thess. 1:10; Openb. 1:7Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de Matt. 19:28troon van Zijn heerlijkheid.

32En vóór Hem zullen al de volken bijeengebracht worden, Ezech. 34:17,20; Matt. 13:49en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals de herder de schapen van de bokken scheidt.

33En Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linkerhand.

34Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand zijn: Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk Matt. 20:23; Mark. 10:40dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.

35Jes. 58:7; Ezech. 18:7Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Hebr. 13:2Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald.

36Ik was Jes. 58:7; Jak. 2:15,16naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was 2 Tim. 1:16in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen.

37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en te eten gegeven? Of dorstig en te drinken gegeven?

38Wanneer hebben wij U als een vreemdeling gezien en gastvrij onthaald, of naakt en hebben U gekleed?

39Wanneer hebben wij U ziek gezien of in de gevangenis en zijn bij U gekomen?

40En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: Spr. 19:17; Matt. 10:42; Mark. 9:41; Joh. 13:20; 2 Kor. 9:6voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan.

41Dan zal Hij ook zeggen tegen hen die aan de linkerhand zijn: Ps. 6:9; Matt. 7:23; Luk. 13:25,27Ga weg van Mij, vervloekten, in het Jes. 30:33; Openb. 19:20eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.

42Want Ik ben hongerig geweest en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en u hebt Mij niet te drinken gegeven;

43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet gastvrij onthaald; naakt, en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en u hebt Mij niet bezocht.

44Dan zullen ook die Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als een vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?

45Dan zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: Spr. 14:31; 17:5; Zach. 2:8voor zover u dit voor een van deze geringsten niet gedaan hebt, hebt u het ook niet voor Mij gedaan.

46Dan. 12:2; Joh. 5:29En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

SV

25

Gelijkenis der wijze en dwaze maagden

1Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet.

2En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.

3Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.

4Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.

5Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.

6En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!

7Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.

8En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.

9Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelven.

10Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.

11Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!

12En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik Matt. 7:23. Luk. 13:25.ken u niet.

13Matt. 24:42. Mark. 13:33, 35.Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal.

Gelijkenis der talenten

14Luk. 19:12.Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen over.

15En den een gaf hij vijf talenten, en den ander twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.

16Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.

17Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.

18Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.

19En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.

20En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.

21En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! Matt. 24:45. Luk. 12:42.over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.

22En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.

23Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.

24Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heer, ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;

25En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.

26Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.

27Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.

28Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.

29Matt. 13:12. Mark. 4:25. Luk. 8:18. 19:26.Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

30En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; Matt. 8:12. 13:42. 22:13. 24:51. Luk. 13:28.daar zal wening zijn en knersing der tanden.

Het oordeel

31Matt. 16:27. 26:64. Mark. 14:62. Luk. 21:27. Hand. 1:11. 1 Thess. 4:16. 2 Thess. 1:10. Openb. 1:7.En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den Matt. 19:28.troon Zijner heerlijkheid.

32En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, Ezech. 34:17, 20. Matt. 13:49.en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.

33En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand.

34Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, Matt. 20:23. Mark. 10:40.hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.

35Jes. 58:7. Ezech. 18:7.Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Hebr. 13:2.Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.

36Ik was Jes. 58:7. Jak. 2:15, 16.naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was 2 Tim. 1:16.in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.

37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?

38En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?

39En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?

40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Spr. 19:17. Matt. 10:42. Mark. 9:41. Joh. 13:20. 2 Kor. 9:6.Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.

41Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Ps. 6:9. Matt. 7:23. Luk. 13:25, 27.Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het Jes. 30:33. Openb. 19:20.eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.

42Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;

43Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.

44Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?

45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Spr. 14:31. 17:5. Zach. 2:8.Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.

46Dan. 12:2. Joh. 5:29.En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.