Mattheüs 4
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Mattheüs

HSV

De verzoeking in de woestijn

1Toen Mark. 1:12; Luk. 4:1werd Jezus door de Geest weggeleid naar de woestijn om verzocht te worden door de duivel.

2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.

3En de verzoeker kwam bij Hem en zei: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden worden.

4Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: Deut. 8:3De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.

5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op het hoogste gedeelte van de tempel,

6en hij zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werp Uzelf dan naar beneden, want er staat geschreven Ps. 91:11,12dat Hij Zijn engelen voor U bevel zal geven, en dat zij U op de handen zullen dragen, opdat U Uw voet niet misschien aan een steen stoot.

7Jezus zei tegen hem: Er staat eveneens geschreven: Deut. 6:16U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.

8Opnieuw nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg, en hij liet Hem al de koninkrijken van de wereld zien, met hun heerlijkheid,

9en zei tegen Hem: Dit alles zal ik U geven, als U knielt en mij aanbidt.

10Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Deut. 6:13; 10:20De Heere, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen.

11Toen liet de duivel Hem gaan; en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

Het begin van Jezus' prediking

12Toen Jezus gehoord had dat Mark. 1:14; Luk. 4:14Johannes overgeleverd was, keerde Hij terug Luk. 4:16,31; Joh. 4:43naar Galilea.

13Hij verliet Nazareth en ging wonen in Kapernaüm, dat aan de zee lag, in het gebied van Zebulon en Naftali,

14opdat vervuld zou worden wat door de profeet Jesaja gesproken werd toen hij zei:

15Jes. 8:23; 9:1Land Zebulon en land Naftali, gebied aan de weg naar de zee en over de Jordaan, Galilea van de volken,

16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is een licht opgegaan.

17Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Mark. 1:15Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

De eerste discipelen

18Mark. 1:16En Jezus liep langs de zee van Galilea en zag twee broers, namelijk Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, het net in de zee werpen, want zij waren vissers.

19En Hij zei tegen hen: Kom achter Mij aan, en Ik zal u vissers van mensen maken.

20Zij lieten meteen de netten achter en volgden Hem.

21Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl zij hun netten aan het herstellen waren, en Hij riep hen.

22Zij lieten meteen het schip en hun vader achter en volgden Hem.

De toeloop van de menigte

23En Jezus trok rond in heel Galilea, gaf onderwijs in hun synagogen en predikte het Evangelie van het Koninkrijk, en Hij genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk.

24En het gerucht over Hem verspreidde zich4:24 verspreidde zich - Letterlijk: ging uit. over heel Syrië; en zij brachten bij Hem allen die er slecht aan toe waren en door allerlei ziekten en pijnen bevangen waren, en die door demonen bezeten waren, en maanzieken en verlamden; en Hij genas hen.Demonen: Er zijn in het Grieks twee verschillende woorden die in de SV allebei met duivel zijn vertaald zodat het onderlinge verschil niet meer zichtbaar is. Dat is in dit geval een gemis, omdat het verschil in betekenis tussen de twee betreffende termen niet zonder relevantie is. Het Griekse diabolos verwijst namelijk naar de duivel zelf, terwijl het woord daimoon betrekking heeft op een engel van de duivel. Vandaar dat besloten is om het eerste woord met duivel te vertalen en het tweede met demon.

25En grote menigten volgden Hem, uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea, en van over de Jordaan.

SV

De verzoeking van Jezus

1Toen Mark. 1:12. Luk. 4:1.werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

2En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.

3En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.

4Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: Deut. 8:3.De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

5Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;

6En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, Ps. 91:11, 12.dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.

7Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Deut. 6:16.Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.

8Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;

9En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.

10Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Deut. 6:13. 10:20.Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.

11Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

Jezus in Galiléa

12Als nu Jezus gehoord had, dat Mark. 1:14. Luk. 4:14.Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd Luk. 4:16, 31. Joh. 4:43.naar Galiléa;

13En Názareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapérnaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;

14Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:

15Jes. 8:23. 9:1.Het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galiléa der volken;

16Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.

17Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Mark. 1:15.Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

De eerste discipelen

18Mark. 1:16.En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);

19En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.

20Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.

21En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedéüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.

22Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.

23En Jezus omging geheel Galiléa, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.

24En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.

25En vele scharen volgden Hem na, van Galiléa en van Dekápolis, en van Jeruzalem, en van Judéa, en van over de Jordaan.