Mattheüs 5
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Mattheüs

HSV

De zaligsprekingen

1Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem.

2En Hij opende Zijn mond en onderwees hen. Hij zei:

3Luk. 6:20Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

4Luk. 6:21Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.

5Ps. 37:11Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

6Jes. 55:1Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

7Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.

8Ps. 15:2; 24:4; Hebr. 12:14Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.

9Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.

102 Kor. 4:10; 2 Tim. 2:12; 1 Petr. 3:14Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

11Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, 1 Petr. 4:14omwille van Mij.

12Luk. 6:23Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.

Het zout van de aarde en het licht op de kandelaar

13Mark. 9:50; Luk. 14:34U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.

14U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.

15Mark. 4:21; Luk. 8:16; 11:33En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn.

161 Petr. 2:12Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Jezus en de Wet

17Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.

18Want, voorwaar, Ik zeg u: Luk. 16:17Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.

19Jak. 2:10Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.

Jezus en de traditie

21U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht5:21 het voorgeslacht - Letterlijk: de ouden; zie ook de verzen 27 en 33. gezegd is: Ex. 20:13; Deut. 5:17U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden.

22Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur.5:22 het helse vuur - Letterlijk: de hel van het vuur.Raka is een Aramees woord dat de Evangelist niet in het Grieks heeft vertaald. De SV en HSV hebben het dan ook in het Aramees laten staan. De betekenis is echter iets als leeghoofd.

23Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft,

24laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.

25Luk. 12:58; Efez. 4:26Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent; opdat de tegenpartij u niet misschien aan de rechter overlevert en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en u in de gevangenis geworpen wordt.

26Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste quadrans5:26 De quadrans was in die tijd de kleinste munteenheid van het Romeinse Rijk. betaald hebt.

27U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: Ex. 20:14; Deut. 5:18U zult geen overspel plegen.

28Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw Job 31:1; Ps. 119:37kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft.

29Matt. 18:8; Mark. 9:43Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

30En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

31Er is ook gezegd: Deut. 24:1Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een echtscheidingsbrief geven.

32Matt. 19:7; Mark. 10:4,11; Luk. 16:18; 1 Kor. 7:10Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij, maakt dat zij overspel pleegt; en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

33Verder hebt u gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: Ex. 20:7; Lev. 19:12; Deut. 5:11U zult de eed niet breken, maar u zult voor de Heere uw eden houden.

34Maar Ik zeg u: Jak. 5:12Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God;

35niet bij de aarde, Jes. 66:1want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem, Ps. 48:3want dat is de stad van de grote Koning.

36Ook bij uw hoofd mag u niet zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken;

37maar laat uw woord ja ja zijn en uw nee nee; wat hierboven uitgaat, is uit de boze.

38U Ex. 21:24; Lev. 24:20; Deut. 19:21hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand.

39Ik zeg u echter Spr. 24:29; Luk. 6:29; Rom. 12:17; 1 Kor. 6:7; 1 Thess. 5:15; 1 Petr. 3:9dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;

40en als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleding nemen, geef hem dan ook het bovenkleed;

41en wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga er twee met hem.

42Deut. 15:8; Luk. 6:35Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil.

43U hebt gehoord dat er gezegd is: Lev. 19:18U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten.

44Maar Ik zeg u: Luk. 6:27; Rom. 12:20Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en Luk. 23:34; Hand. 7:60; 1 Kor. 4:13; 1 Petr. 2:23bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;

45zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

46Luk. 6:32Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo?

48Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

SV

5

De bergrede: de Zaligsprekingen

1En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.

2En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:

3Luk. 6:20.Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

4Luk. 6:21.Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.

5Ps. 37:11.Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

6Jes. 55:1.Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

7Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

8Ps. 15:2. 24:4. Hebr. 12:14.Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

9Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

102 Kor. 4:10. 2 Tim. 2:12. 1 Petr. 3:14.Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

11Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, 1 Petr. 4:14.om Mijnentwil.

12Luk. 6:23.Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn.

De roeping der discipelen

13Mark. 9:50. Luk. 14:34.Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

14Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.

15Mark. 4:21. Luk. 8:16. 11:33.Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;

161 Petr. 2:12.Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

De vervulling der Wet en der profeten

17Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.

18Want voorwaar zeg Ik u: Luk. 16:17.Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.

19Jak. 2:10.Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

21Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Ex. 20:13. Deut. 5:17.Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.

22Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.

23Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;

24Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.

25Luk. 12:58. Efez. 4:26.Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

26Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.

27Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Ex. 20:14. Deut. 5:18.Gij zult geen overspel doen.

28Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw Job 31:1. Ps. 119:37.aanziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

29Matt. 18:8. Mark. 9:43.Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

30En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

31Er is ook gezegd: Deut. 24:1.Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

32Matt. 19:7. Mark. 10:4, 11. Luk. 16:18. 1 Kor. 7:10.Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

33Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Ex. 20:7. Lev. 19:12. Deut. 5:11.Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

34Maar Ik zeg u: Jak. 5:12.Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

35Noch bij de aarde, Jes. 66:1.omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, Ps. 48:3.omdat zij is de stad des groten Konings;

36Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;

37Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.

38Gij Ex. 21:24. Lev. 24:20. Deut. 19:21.hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

39Maar Ik zeg u, Spr. 24:29. Luk. 6:29. Rom. 12:17. 1 Kor. 6:7. 1 Thess. 5:15. 1 Petr. 3:9.dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

40En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;

41En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.

42Deut. 15:8. Luk. 6:35.Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

43Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Lev. 19:18.Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

44Maar Ik zeg u: Luk. 6:27. Rom. 12:20.Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en Luk. 23:34. Hand. 7:60. 1 Kor. 4:13. 1 Petr. 2:23.bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

45Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

46Luk. 6:32.Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?

48Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.