Obadja 1
Obadja 1
Het boek van de profeet Obadja
HSV

Profetie van het oordeel over Edom en de verlossing van Israël

1Het visioen van Obadja.

Zo zegt de Heere HEERE over Edom:

Een bericht hebben Jer. 49:14wij gehoord van de HEERE,

en een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:

Sta op! Laten wij tegen Edom opstaan ten strijde!

2Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken;

diep veracht wordt u.

3De overmoed van uw hart heeft u bedrogen,

hij die woont in de rotskloven, in zijn hoge verblijfplaats,

hij die zegt in zijn hart:

Wie zal mij neerhalen naar de aarde?

4Jer. 49:16Al verhief u zich als een arend,

en al bouwde u uw nest tussen de sterren,

ook vandaar zou Ik u neerhalen, spreekt de HEERE.

5Jer. 49:9Als er dieven bij u komen,

of nachtelijke verwoesters

– hoe zult u uitgeroeid worden! –

stelen zij niet tot zij genoeg hebben?

Als er druivenplukkers bij u komen,

zullen zij niet een nalezing overlaten?

6Hoe is Ezau doorzocht,

wat hij verborgen heeft, opgespoord!

7Tot aan de grens hebben zij u gestuurd,

al uw bondgenoten.

Zij met wie u in vrede leefde,

hebben u bedrogen, u overwonnen.

Zij die uw brood eten,

leggen een valstrik voor u.1:7 een valstrik voor u - Letterlijk: een gezwel onder u.

Er is geen inzicht in hem.

8Jes. 29:14; Jer. 49:7Zal het niet op die dag zijn, spreekt de HEERE,

dat Ik zal ombrengen de wijzen uit Edom

en het inzicht uit het bergland van Ezau?

9Uw Amos 2:14,16helden, Teman, zullen ontsteld zijn,

zodat ieder uit het bergland van Ezau

wordt uitgeroeid door een slachting.

10Vanwege het Gen. 27:41; Ezech. 35:5; Amos 1:11geweld tegen uw broeder Jakob

zal schaamte u bedekken

en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.

11Op de dag dat u aan de kant stond,

op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,

buitenlanders zijn poorten binnentrokken

en over Jeruzalem het lot wierpen,

was ook u Ps. 137:7als een van hen!

12U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,

op de dag dat hij een vreemde voor u was.

U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs

op de dag van hun ondergang.

U had geen grote mond mogen opzetten tegen hen

op de dag van hun benauwdheid.

13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken

op de dag van hun ondergang.

U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof

op de dag van zijn ondergang.

U had uw handen niet mogen uitstrekken naar zijn leger

op de dag van zijn ondergang.

14U had niet op het kruispunt mogen staan

om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.

U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren

op de dag van hun benauwdheid.

15Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;

Ezech. 35:15zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;

wat u verdient, zal op uw eigen hoofd terugkeren!

16Want zoals u op Mijn heilige berg gedronken hebt,

zullen alle heidenvolken voortdurend drinken;

zij zullen drinken en slurpen;

zij zullen worden alsof zij er niet geweest waren!

17Maar op de berg Sion zal ontkoming zijn:

die zal een heilige plaats zijn;

zij die van het huis van Jakob zijn,

zullen hun bezittingen weer in bezit nemen.

18Dan zal het huis van Jakob een vuur zijn,

het huis van Jozef een vlam,

en het huis van Ezau zal tot stoppels worden;

zij zullen tegen hen ontbranden en hen verslinden,

zodat er geen ontkomene zal zijn voor het huis van Ezau,

want de HEERE heeft gesproken!

19Het Zuiderland zal het gebergte van Ezau in bezit nemen, en het Laagland het gebied van de Filistijnen; ja, zij zullen het gebied van Efraïm en het gebied van Samaria in bezit nemen; en Benjamin dat van Gilead.

20En de ballingen van dit leger van de Israëlieten zullen dat wat van de Kanaänieten was, tot aan Zarfath in bezit nemen; de ballingen van Jeruzalem die in Sefarad zijn, zullen de steden van het Zuiderland in bezit nemen.

21Verlossers zullen de berg Sion opgaan

om het bergland van Ezau te oordelen,

en het koningschap zal van de HEERE zijn.

1

Profetie van het strafgericht over Edom en de verlossing van Israël

1Het gezicht van Obadja. Alzo zegt de Heere HEERE van Edom: Jer. 49:14.Wij hebben een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.

2Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht.

3De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?

4Jer. 49:16.Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.

5Jer. 49:9.Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe zijt gij uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg ware? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten?

6Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht!

7Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overmocht; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.

8Jes. 29:14. Jer. 49:7.Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan?

9Ook zullen uw Amos 2:14, 16.helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door den moord worde uitgeroeid.

10Om het Gen. 27:41. Ezech. 35:5. Amos 1:11.geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.

11Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook Ps. 137:7.als een van hen.

12Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, ten dage der benauwdheid;

13Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;

14Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien; noch zijn overgeblevenen overgeleverd hebben, ten dage der benauwdheid.

15Want de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen; Ezech. 35:15.gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren.

16Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn alsof zij er niet geweest waren.

17Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.

18En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want de HEERE heeft het gesproken.

19En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead.

20En de gevankelijk weggevoerden van dit heir der kinderen Israëls, hetgeen der Kanaänieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, hetgeen in Sefárad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten.

21En er zullen heilanden op den berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des HEEREN zijn.