Psalm 94
Het boek Psalmen

HSV

De HEERE is een veilige vesting

1O God van alle wraak, HEERE,

God van alle wraak, Deut. 33:2; Ps. 50:2; 80:2verschijn blinkend!

2Rechter van de aarde, verhef U,

vergeld de hoogmoedigen naar wat zij verdienen.

3Hoelang zullen de goddelozen, HEERE,

hoelang zullen de goddelozen van vreugde opspringen,

4hun mond doen overvloeien, hooghartige taal spreken?

Hoelang zullen allen die onrecht bedrijven, zich beroemen?

5HEERE, zij verbrijzelen Uw volk,

zij verdrukken Uw eigendom.

6De weduwe en de vreemdeling doden zij;

zij vermoorden de wezen

7en zeggen: Ps. 10:11,13; 59:8De HEERE ziet het niet,

de God van Jakob merkt het niet.

8Ps. 92:7Let op, onverstandigen onder het volk;

dwazen, wanneer zult u verstandig worden?

9Ex. 4:11Zou Hij Die het oor plant, niet horen?

Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?

10Zou Hij Die de heidenvolken bestraft, niet straffen,

Hij Die de mens kennis bijbrengt?

111 Kor. 3:20De HEERE kent de gedachten van de mens:

vluchtig zijn ze.

12Welzalig de man die U bestraft, HEERE,

en die U onderwijst uit Uw wet.

13Zo geeft U hem rust voor dagen van onheil,

totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt.

14Want 1 Sam. 12:22; Rom. 11:1,2de HEERE zal Zijn volk niet in de steek laten,

Hij zal Zijn eigendom niet verlaten.

15Want het oordeel zal weer rechtvaardig zijn,

alle oprechten van hart zullen ermee instemmen.94:15 zullen ermee instemmen - Letterlijk: en het achterna.

16Wie zal voor mij opkomen tegen de kwaaddoeners?

Wie zal zich voor mij opstellen tegen wie onrecht bedrijven?

17Als de HEERE niet mijn Helper was geweest,

had mijn ziel bijna in de stilte gewoond.

18Toen ik zei: Mijn voet wankelt,

ondersteunde Uw goedertierenheid mij, HEERE.

19Toen mijn gedachten binnen in mij zich vermenigvuldigden,

verkwikten Uw vertroostingen mijn ziel.

20Zou de zetel van het verderf een verbintenis met U aangaan,

die onheil sticht bij verordening?

21Zij spannen samen tegen de ziel van de rechtvaardige,

onschuldig bloed verklaren zij schuldig.

22Maar de HEERE is mij een veilige vesting geweest,

mijn God is mij tot een rots, mijn toevlucht.

23Hij zal hun onrecht op hen doen terugkeren,

Hij zal hen in hun slechtheid ombrengen,

de HEERE, onze God, zal hen ombrengen.

SV

94

Bede om rechtvaardigheid tegenover de goddelozen

1O God der wraken! o HEERE, God der wraken! Deut. 33:2. Ps. 50:2. 80:2.verschijn blinkende.

2Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.

3Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?

4Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?

5O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.

6De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.

7En zeggen: Ps. 10:11, 13. 59:8.De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.

8Ps. 92:7.Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?

9Ex. 4:11.Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?

10Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?

111 Kor. 3:20.De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.

12Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,

13Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.

14Want 1 Sam. 12:22. Rom. 11:1, 2.de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.

15Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.

16Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?

17Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.

18Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.

19Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.

20Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?

21Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.

22Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.

23En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.