Spreuken 11
Het boek Speuken

HSV

Het geluk van de vromen en het ongeluk van de kwaaddoeners

1Een Lev. 19:36; Deut. 25:13; Spr. 16:11; 20:10,23bedrieglijke weegschaal is voor de HEERE een gruwel,

maar een zuivere weegsteen is Hem welgevallig.

2Spr. 16:18; 18:12Komt overmoed, dan komt ook schande,

Spr. 15:33; 18:12maar bij de ootmoedigen is wijsheid.

3Spr. 13:6De oprechtheid van de oprechten leidt hen,

maar de verkeerdheid van de trouwelozen verwoest henzelf.

4Spr. 10:2; Ezech. 7:19; Zef. 1:18Bezit baat niet op de dag van de verbolgenheid,

maar gerechtigheid redt van de dood.

5De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht,

maar de goddeloze komt ten val door zijn eigen goddeloosheid.

6De gerechtigheid van de oprechten zal hen redden,

maar de trouwelozen Spr. 5:22worden gevangen in hun eigen begeerten.

7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn hoop,

dan vergaat zelfs de allersterkste verwachting.

8Ps. 34:20De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered,

Spr. 21:18maar de goddeloze komt in zijn plaats.

9De huichelaar richt zijn naaste met zijn mond te gronde,

maar door kennis worden de rechtvaardigen gered.

10Een stad springt op van vreugde over de welstand van de rechtvaardigen,

maar als de goddelozen vergaan, is er gejuich.

11Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven,

maar door de mond van goddelozen wordt ze met de grond gelijkgemaakt.

12Wie zonder verstand11:12 zonder verstand - Letterlijk: zonder hart. is, veracht zijn naaste,

maar iemand met inzicht zwijgt.

13Wie al lasterend zijn weg gaat, openbaart geheimen,

maar wie betrouwbaar van geest is, bedekt een zaak.

141 Kon. 12:1 enz.Als er geen wijze raad is, komt een volk ten val,

maar er komt verlossing door een veelheid van raadgevers.

15Wie borg is voor een vreemde, zal het beslist slecht vergaan,

maar wie handslag haat, leeft veilig.

16Een bevallige vrouw houdt vast aan haar eer,

zoals geweldplegers vasthouden aan hun rijkdom.

17Een goedertieren mens doet zijn eigen ziel goed,

maar een meedogenloze stort zijn eigen vlees in het ongeluk.

18De goddeloze doet een bedrieglijk werk,

maar wie gerechtigheid zaait, oogst betrouwbaar loon.

19Ware gerechtigheid is ten leven,

najagen van kwaad leidt tot de dood.

20De verkeerden van hart zijn voor de HEERE een gruwel,

maar de oprechten van weg zijn Hem welgevallig.

21Spr. 16:5Hand op hand: een kwaaddoener zal niet voor onschuldig gehouden worden,

maar het nageslacht van rechtvaardigen zal ontkomen.

22Een mooie vrouw zonder inzicht11:22 zonder inzicht - Letterlijk: die afwijkt van inzicht.

is een gouden ring in een varkenssnuit.

23Het verlangen van rechtvaardigen is alleen het goede,

maar de hoop van goddelozen is verbolgenheid.

24Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen,

en er zijn er die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek.

25Ps. 112:9; 2 Kor. 9:9Een zegenende ziel wordt verzadigd,

en wie te drinken geeft, die zal ook te drinken krijgen.

26Het volk vervloekt wie hun koren onthoudt,

maar zegening rust er op het hoofd van wie het verkoopt.

27Wie het goede nastreeft, zoekt welgevallen,

maar Ps. 7:17; 9:16; 10:2; 57:7wie het kwade najaagt, die zal het overkomen.

28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal ten val komen,

maar Ps. 1:3,4; 92:13de rechtvaardigen zullen groeien als loof.

29Wie zijn huis in het ongeluk stort, zal wind erven,

en de dwaas zal een slaaf zijn van wie wijs is van hart.

30De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens,

en wie zielen vangt, is wijs.

31Zie, een rechtvaardige krijgt vergelding op aarde,

1 Petr. 4:17,18hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar!

SV

11

Geluk van den vrome; ongeluk van den boze

1Een Lev. 19:36. Deut. 25:13. Spr. 16:11. 20:10, 23.bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.

2Spr. 16:18. 18:12.Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; Spr. 15:33. 18:12.maar met de ootmoedigen is wijsheid.

3Spr. 13:6.De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheden der trouwelozen verstoort hen.

4Spr. 10:2. Ezech. 7:19. Zef. 1:18.Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.

5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.

6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen Spr. 5:22.worden gevangen in hun verkeerdheid.

7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.

8Ps. 34:20.De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; Spr. 21:18.en de goddeloze komt in zijn plaats.

9De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.

10Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.

11Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.

12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.

13Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.

141 Kon. 12:1 enz.Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.

15Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.

16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.

17Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.

18De goddeloze doet een vals werk; maar voor dengene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.

19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.

20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.

21Spr. 16:5.Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.

22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.

23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.

24Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.

25Ps. 112:9. 2 Kor. 9:9.De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.

26Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar zegening zal zijn over het hoofd des verkopers.

27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar Ps. 7:17. 9:16. 10:2. 57:7.wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.

28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar Ps. 1:3, 4. 92:13.de rechtvaardigen zullen groenen als loof.

29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.

30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.

31Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, 1 Petr. 4:17, 18.hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!