Levensvraag De geschiedenis herhaalt zich. God zoekt de mens en spreekt hem aan. Kaïn, waar is je broer Abel? Abel betekent zoiets als ‘de vergankelijke, de zwakke’. Daarmee vraagt God: Waar is de zwakke? Heb je oog voor de zwakke, het vergankelijke in je leven of dat van een ander? Kaïn geeft een wedervraag als antwoord: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Nergens lezen we dat God hem weer antwoordt. Blijkbaar weet Kaïn heel goed hoe het zit en is zijn wedervraag een uitvlucht in plaats van een vlucht naar God. We kunnen Kaïn heel veel verwijten, maar wanneer stelt God ons deze vraag? Geef ik er gehoor aan of stel ik een wedervraag, omdat ik het echte antwoord heel goed weet, maar er niet mee in Gods licht durf te komen? Hoe laat ik de vraag van de geschiedenis niet herhalen, maar getuig ik met mijn antwoord van Gods toekomst? ‘Barmhartigheid is niet alleen de taak van de christen. Barmhartigheid is het kenmerk van de christen.’ (Tim Keller)