Jezus aan zet … De theologen zijn door hun argumenten heen. Jezus is weer aan zet. Hij komt met een tegenvraag, waarmee Hij hun zekerheden aan het wankelen wil brengen. Want het probleem van Psalm 110 met betrekking tot de identiteit van de Messias, roept de vraag op over de identiteit van Jezus. Nog steeds gaat het over Jezus’ bevoegdheid. Indringend is Zijn vraag: ‘Wat denkt u over de Christus?’ De Farizeeën geven toe dat Hij Davids Zoon is, maar toegeven dat Hij Davids Meerdere, zijn Heere is, is te veel gevraagd. Dan zullen ze voor Hem moeten buigen. De menigte had geroepen: ‘Hosanna, de Zoon van David!’; en dat Hij zijn Heere was, bewees Hij in de reiniging/ wijding van Gods tempel. Davids Zoon is Davids Heere. Het staat al in Psalm 110. Geen antwoord wordt gehoord. Voorlopig ook geen vragen meer … Op donderdag voor die Goede Vrijdag zullen ze elkaar weer ontmoeten. ‘Wat vijand tegen Hem zich kant’, Mijn hand, Mijn onweerstaanb’re hand, Zal hem bekleên met schaamt’ en schand’; Maar eeuwig bloeit de gloriekroon Op ’t hoofd van Davids grote Zoon.’ (Psalm 132:10, berijmd)