Voer minimaal 2 tekens in.
Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij?
– Maleachi 1:6
Zoon en knecht ben je niet vrijblijvend
Op meerdere plaatsen in het Oude Testament noemt God Zijn volk ‘zoon’. Op andere plaatsen heet Israël de ‘knecht’ van de HEERE. Zo ook in dit gedeelte. Maar die posities zijn niet zonder verplichtingen. Van een zoon verwacht je eerbied voor zijn vader en van een knecht verwacht je vreze voor zijn heer. Dat is bij Israël niet vanzelfsprekend. Nadat we gisteren lazen hoe God Zijn grote daden aan Israël bekendmaakt, lezen we hier welke gevolgen dat voor Israël moet hebben. Het lijkt op het begin van de Tien Geboden in Exodus 20: eerst zegt de HEERE dat Hij Zijn volk verlost heeft en dan volgen woorden die aangeven wat Hij op grond daarvan van hen mag verwachten.
Weer vindt een tweegesprek plaats waarin Israël kritische vragen stelt om de ongehoorzaamheid te verhullen. Daarom moest de grote Zoon en Knecht komen om voor die ongerechtigheid te boeten.
‘De voorrede van het eerste gebod behoort tot de complete Tien Geboden en bevat de beschrijving van de Wetgever, waardoor Hij Zich onderscheidt van alle schepselen, wetgevers en verzonnen goden.’ (Zacharias Ursinus)