Kinderen van één Vader, zijn we dat allemaal? ‘Kinderen van één Vader zijn wij allemaal.’ Dat was de slotregel van een kinderversje dat vooral in vrijzinnige kring populair was, omdat het suggereerde dat iedereen door God aanvaard is. Dat versje lijkt de profeet hier ook te zingen. Het lijkt er inderdaad op, omdat ook de profeet zich beroept op het feit dat we allemaal door dezelfde God geschapen zijn. Maar hier zingt de profeet juist niet om gerust te stellen, alsof het allemaal wel goed zit. Het feit dat het volk door de ene God geschapen is, stelt hen schuldig, omdat ze ondanks dat ontrouw zijn. Met ‘wij’ sluit de profeet zichzelf zelfs in die schuld in, zoals Daniël dat ook gedaan had (Dan. 9). Pas als die schuld weggedaan is door het offer van Christus, dat wij deze weken gedenken, kunnen wij God aanroepen als ‘onze Vader’. Dan wordt een nieuwe trouw geboren in Zijn gemeente. ‘Christus heeft ons geleerd om God aan te spreken als ‘‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt’’, aangezien deze titel het meest geschikt is om ons op te wekken tot al die deugden die in het gebed worden vereist.’ (Zacharias Ursinus)