In de tweede plaats doet u dit: het altaar van de HEERE bedekken met tranen, met geween en gekerm … Maleachi 2:13 Krokodillentranen Er bestaat berouw en er bestaat spijt. Dat zijn twee verschillende dingen. In onze dagtekst is sprake van het tweede. Hoe precies weten we niet, maar op de een of andere manier heeft het volk in de gaten dat hun offers niet worden aangenomen door de HEERE. Daarom huilen ze tranen met tuiten bij het altaar. Maar het zijn krokodillentranen, want ze komen niet voort uit een oprechte bekering en omkeer. Ze klagen ach en wee over de gevolgen van hun zonde, maar de zonde zelf doet geen pijn. David beseft dat ook als hij in Psalm 51 schrijft dat God geen vreugde vindt in offers, maar in een verbrijzeld en verslagen hart (Ps. 51:18-19). In die Psalm lezen we ook dat de Heilige Geest eraan te pas moet komen om dat te bewerken. Daarom mag het ons gebed wel zijn dat de HEERE de werking van die Geest wil geven. Pas dan komt er vreugde over Gods heil (Ps. 51:14). ‘De deur naar het leven is voor alle mensen gesloten, zolang zij niet wedergeboren zijn.’ (Johannes Calvijn)