Voer minimaal 2 tekens in.
Goede Vrijdag
Zij verdelen mijn kleding onder elkaar en werpen het lot om mijn gewaad.
– Psalm 22:19
Geen mededogen
De vijanden hebben David omringd als dolle stieren, ingesloten als een horde honden. Ze brullen als een verscheurende leeuw. David is kansloos als de HEERE hem niet redt. Met allerlei beelden beschrijft hij zijn nood. De dood is nabij. God laat het toe. ‘U legt mij in het stof van de dood.’ Ze hebben zijn handen en voeten doorboord. Hij kan niets meer uitrichten. Volgens zijn vijanden is zijn lot beslist. Zijn kleren heeft hij niet meer nodig. Hij gaat toch dood. Ze kennen geen mededogen.
Gods wet schrijft voor dat de ellendige zijn kleed terugkrijgt voordat het nacht wordt. Waarin zou hij anders moeten slapen? ‘Want Ik ben genadig’, zegt God (Ex. 22:26-27). De psalmwoorden worden vervuld als Jezus gekruisigd wordt: ze verdelen Zijn kleding en werpen het lot om Zijn gewaad. Hij moet het aanzien. Ze handelen alsof Hij dood is. Ze tonen geen enkel mededogen met Hem.
Door Zijn lijden kunnen wij bij God ‘barmhartigheid verkrijgen en genade vinden’. (Hebr. 4:16)