Voer minimaal 2 tekens in.
HEERE, straf mij niet in Uw toorn, bestraf mij niet in Uw grimmigheid!
– Psalm 6:2
Bestraffing
David heeft het moeilijk. Vooral ’s nachts. Hij is verzwakt. Zijn leven wordt bedreigd. De schrik zit er diep bij hem in. Hij ziet zijn zonden in en heeft er berouw over. Hij bidt: ‘Straf mij niet in Uw toorn.’ Laat het een bestraffing zijn uit liefde, zoals een vader zijn kind bestraft. Ook bidt David om genade en genezing.
‘Hoelang duurt het nog, HEERE? Keer terug naar mij, red mij.’ Het enige waarop hij kan pleiten is Gods goedertierenheid.
Davids verlossing zal echter ook tot eer van God zijn. In het graf wordt God niet geloofd. Zijn tegenstanders ontkennen dat God hem hoort. David stuurt ze allen weg. Nu worden zij zelf verschrikt. Eens zal Jezus hetzelfde zeggen: ‘Ga weg van Mij, allen die ongerechtigheid bedrijven’ (Luk. 13:27). Al biddend heeft David een sterker geloof gekregen. Hij weet het zeker: de HEERE heeft hem gehoord. Hij zal zijn gebed aannemen.
‘Ieder die Ik liefheb, wijs Ik terecht en bestraf Ik. Wees dan ijverig en bekeer u.’ (Openb. 3:19)