Geef de levende God de eer De twee apostelen hebben het Lycaonisch aangehoord, maar dit dialect niet verstaan. Ze staan verbaasd te kijken. De bevolking denkt vanuit hun heidense geloof. Ze denken dat Paulus en Barnabas twee goden zijn, die uit hun godenwereld zijn afgedaald. Barnabas wordt als oppergod aangezien en Paulus wordt voor Hermes aangezien, de zoon van de oppergod Zeus. De inwoners komen aan met het beste offervee en hebben er wat voor over. De twee broeders zien tot hun grote ontzetting wat er gaande is, rennen de stadspoort uit en scheuren, volgens Joods gebruik, hun kleren. Wat een radicale afwijzing. Een mens, ook een gelovig mens is gevoelig voor waardering en zeker een schouderklopje kan geen kwaad. Maar deze twee passen ervoor om de eer van hun Schepper te ontvangen en Zijn eer weg te roven. Hier past geen verafgoding, verering van mensen. Daar zijn in het kerkelijk leven wat ongelukken mee gebeurd. Hier klinkt de oproep tot bekering. Ook klinkt vandaag die oproep tot bekering; bekering is toch geen eenmalig gebeuren. Buig opnieuw je hoofd en belijd de zonde van de hoogmoed. Geef God de eer van Zijn Naam.