Zoals een arend zijn nest opwekt, boven zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitspreidt, ze pakt en ze draagt op zijn vlerken, zo heeft alleen de HEERE hem geleid, er was geen vreemde god bij hem. – Deuteronomium 32:11-12
Als op arendsvleugelen Vogels maken een nest, leggen eieren en broeden de eieren uit. Jongen liggen in het nest. Oudervogels vliegen af en aan met voedsel. Ze brengen hun jongen groot. Dan komt het moment dat deze jonge vogels hebben uit te vliegen. Wat bij arenden opvalt, is hun grote zorgzaamheid. Dat moet ook wel, want hun nesten bevinden zich op duizelingwekkende hoogten. Een arend wekt zijn nest op, zó dat hij de jongen er als het ware uit duwt. Zo doet de HEERE met Zijn volk: Hij duwt het uit Egypte, de woestijn door, naar het beloofde land. Tegelijk waakt de HEERE over Zijn volk. Hij draagt hen. Wat een arend in de lucht niet kan, kan de HEERE wél: Zijn jonge volk dragen. Want wij gaan de vogels te boven. Zoals een arend over zijn jongen waakt, zo waakt de HEERE over Zijn volk. Laat Hem je Rots zijn. ‘Wees mij een rots om in te wonen, een schuilplaats waar mijn hart steeds toevlucht vindt in smart.’ (Psalm 71:2, berijmd)