Voer minimaal 2 tekens in.
Hij zei tegen hen: Ik ben een Hebreeër en ik vrees de HEERE …
– Jona 1:9
Leer en leven
Nu de mannen door het lot ontdekt hebben dat dit onheil hun door Jona overkomt, willen ze natuurlijk alles van hem weten.
Ze stellen hem vier vragen: naar zijn werk, zijn afkomst, zijn land en zijn volk. Jona antwoordt met een prachtige belijdenis.
Maar wat opvalt is dat hij die ene vraag onbeantwoord laat: wat is uw werk? Alsof Jona het niet over zijn lippen krijgt om te zeggen: ik ben profeet. Want wat zullen de mannen dan vragen? Een profeet die op de vlucht is voor zijn God? Een dienaar op de loop voor zijn meester? Blijkt hieruit dat Jona’s schuldbesef begint te dagen door de vragen van de zeelieden? Zijn belijdenis klinkt prachtig: ‘Ik vrees de HEERE, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft.’ Maar zijn gedrag wijst op iets heel anders. Leer en leven strijden met elkaar.
Op welke punten moet ons leven meer in overeenstemming komen met onze belijdenis?