Eindelijk bidt Jona De kapitein van het schip had Jona opgewekt om te bidden tot zijn God om redding. We lezen in hoofdstuk 1 echter nergens dat Jona gebeden heeft. Wél de heidense zeelieden, níét de profeet uit Israël. Echter, nu hij in de vis is, zegt hij wel dat hij geroepen heeft tot de HEERE in zijn benauwdheid. Heeft Jona toch de HEERE aangeroepen? In ieder geval is Jona gered, en dat is omdat God zijn roep heeft gehoord. Het is een dankgebed. Hoewel Jona nog geen voet heeft gezet op vaste wal, beseft hij dat deze vis een uitredding van de HEERE is. Hoe kan het anders? Toen Jona zich overboord wierp, wist hij dat hij sterven zou. Met een gewisse dood voor ogen mocht hij tóch leven. Niets minder dan onverdiende genade, juist omdat Jona wist dat hij het oordeel verdiende. God trok hem ‘uit het verderf omhoog’ (vs. 6). Genade wordt pas een wonder als je weet dat je het oordeel verdiend hebt. Werkt het zo ook in ons geloofsleven?