2 Timotheüs 4
De tweede brief van de apostel Paulus aan Timotheüs

HSV

1Ik Rom. 1:9; 9:1; 2 Kor. 1:23; 11:31; Gal. 1:20; Filipp. 1:8; 1 Thess. 2:5; 1 Tim. 5:21; 6:13bezweer u, ten overstaan van God en de Heere Jezus Christus, Die levenden en doden zal oordelen bij Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:

2predik het Woord. Volhard daarin, gelegen of ongelegen. Weerleg, bestraf, vermaan, en dat met alle geduld en onderricht.Lankmoedig vs. geduld: Het begrip lankmoedig is zo verouderd dat niemand meer goed weet wat het betekent. Het gevolg is dat mensen betekenissen aan het woord gaan toekennen die het feitelijk niet bezit. Het Griekse grondwoord is makrothumia. Heel letterlijk betekent het traag tot toorn. Het wordt zowel van mensen (Hand 26:3) als van God (Rom 2:4) gezegd. Iemand die deze eigenschap heeft kan dus veel dulden zonder boos te worden. Vandaar dat de HSV voor geduldig heeft gekozen.

3Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten.

4Ze zullen hun gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.

5Maar u, wees nuchter in alles. Lijd verdrukkingen. Doe het werk van een evangelist. Vervul uw dienstwerk ten volle.

Paulus voorziet zijn heengaan

62 Petr. 1:14Ik word immers reeds als een plengoffer uitgegoten en het tijdstip van mijn heengaan4:6 mijn heengaan - Letterlijk: mijn losgemaakt worden. is aanstaande.

7Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden.

81 Kor. 9:25; 1 Petr. 5:4Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid die de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag geven zal. En niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad.

Mededelingen en opdrachten

9Beijver u om spoedig naar mij toe te komen,

10want Kol. 4:14; Filem. vs. 24Demas heeft mij verlaten, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen. Hij is naar Thessalonica vertrokken, Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.

11Kol. 4:14Alleen Lukas is bij mij. Haal Hand. 15:37; Kol. 4:10; Filem. vs. 24Markus op en breng hem met u mee, want hij is voor mij van veel nut voor de ambtelijke bediening.

12Hand. 20:4; Kol. 4:7Maar Tychikus heb ik naar Efeze gestuurd.

13Breng, wanneer u komt, de reismantel mee die ik in Troas bij Karpus achtergelaten heb, en de boeken, vooral de perkamenten.

141 Tim. 1:20Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaad aangedaan. Moge de Heere hem vergelden naar zijn werken.

15Wees ook zelf voor hem op uw hoede, want hij is krachtig tegen onze woorden ingegaan.

16Bij mijn eerste verdediging was er niemand die mij bijstond, maar zij hebben mij allen verlaten. Moge het hun niet toegerekend worden.

17Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij kracht gegeven, opdat door mij de prediking volbracht zou worden en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost.

18En de Heere zal mij bevrijden van alle boze opzet en mij verlossen tot de komst van Zijn hemels Koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen.

Groeten en zegenbede

19Groet Hand. 18:2; Rom. 16:3Prisca en Aquila, en het huis van Onesiforus.

20Erastus is in Korinthe gebleven en Trofimus heb ik in Milete ziek achtergelaten.

21Beijver u om voor de winter te komen. U groeten Eubulus, Pudens, Linus, Claudia en alle broeders.

22De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met u allen. Amen.

SV

1Ik Rom. 1:9. 9:1. 2 Kor. 1:23. 11:31. Gal. 1:20. Filipp. 1:8. 1 Thess. 2:5. 1 Tim. 5:21. 6:13.betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:

2Predik het Woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.

3Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;

4En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.

5Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.

Paulus voorziet zijn einde

62 Petr. 1:14.Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.

7Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;

81 Kor. 9:25. 1 Petr. 5:4.Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.

Persoonlijke mededelingen

9Benaarstig u haastelijk tot mij te komen.

10Want Kol. 4:14. Filem. vs. 24.Démas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessaloníca gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmátië.

11Kol. 4:14.Lukas is alleen met mij. Neem Hand. 15:37. Kol. 4:10. Filem. vs. 24.Markus mede, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.

12Hand. 20:4. Kol. 4:7.Maar Tychikus heb ik naar Éfeze gezonden.

13Breng den reismantel mede, dien ik te Tróas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten.

141 Tim. 1:20.Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken.

15Van welken wacht gij u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan.

16In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.

17Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden horen. En ik ben uit den muil des leeuws verlost.

18En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Groet en zegenbede

19Groet Hand. 18:2. Rom. 16:3.Priska en Aquila, en het huis van Onesíforus.

20Erástus is te Korinthe gebleven; en Trófimus heb ik te Miléte krank gelaten.

21Benaarstig u, om voor den winter te komen. U groet Eubúlus, en Púdens, en Línus, en Klaudia, en al de broeders.

22De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met ulieden. Amen.