2 Korinthe 11
De tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe

HSV

Geen ander Evangelie

1Verdroeg u mij maar enigszins in mijn dwaasheid; ja, verdraag mij toch!

2Want ik beijver mij voor u met een ijver van God. Ik heb u immers ten huwelijk gegeven aan één Man Lev. 21:13om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen.Maagd vs. meisje: De betekenis van het Griekse parthenos heeft twee belangrijke aspecten, nl. (1) een ongehuwde jonge vrouw, en (2) een vrouw nog nooit met een man geslapen heeft. In de zeventiende eeuw had het Nederlandse woordje maagd min of meer dezelfde betekenis. Dat kunnen we heden ten dage niet meer zeggen. De beide aspecten vallen niet meer samen binnen één woord. Voor de ongehuwde jonge vrouw gebruiken we tegenwoordig het woord meisje en we kunnen er niet meer automatisch van uitgaan dat elk meisje een maagd is. Het woord maagd is in het Nederlands van vandaag de dag dan ook een specifieke term geworden voor een vrouw (de leeftijd doet nauwelijks meer ter zake) die nog geen geslachtsverkeer heeft gehad. Soms wordt het tegenwoordig zelfs voor mannen gebruikt! In Mattheüs 25 staat duidelijk het eerste aspect centraal. Het gaat daar om de jonge bruidsmeisjes die een belangrijke functie hadden bij een huwelijksvoltrekking. Hun maagdelijkheid is in dit verband van veel minder belang. Vandaar dat de HSV voor meisjes heeft gekozen. In Mattheüs 1:23 ligt het heel anders. Hier staat het wonder van de maagdelijke geboorte centraal en is voor maagd gekozen.

3Maar ik vrees dat, Gen. 3:4; Joh. 8:44zoals de slang met zijn sluwheid Eva verleid heeft, zo misschien ook uw gedachten bedorven worden, weg van de eenvoud die in Christus is.

4Gal. 1:8Want als er iemand komt die een andere Jezus predikt, die wij niet gepredikt hebben, of als u een andere geest ontvangt dan die u ontvangen hebt, of een ander evangelie, dat u niet aangenomen hebt, dan verdraagt u dat best.

5Want ik ben van mening dat ik in niets minder ben geweest dan de apostelen bij uitstek.

6En al ben ik onbedreven in het spreken, ik ben dat niet in kennis. Integendeel, wij zijn in elk opzicht in alles onder u bekend geworden.

Paulus' belangeloosheid

7Of heb ik zonde gedaan toen ik mijzelf vernederde, opdat u verhoogd zou worden? Ik heb u immers het Evangelie van God 1 Kor. 9:12om niet verkondigd.

8Andere gemeenten heb ik beroofd door een vergoeding aan te nemen ten dienste van u; en toen ik bij u was en gebrek leed, Hand. 20:33; 2 Kor. 12:13; 1 Thess. 2:9; 2 Thess. 3:8ben ik niemand tot last geweest.

9Filipp. 4:15Want wat mij ontbrak, hebben de broeders die van Macedonië kwamen, aangevuld; en in alles ben ik ervoor op mijn hoede geweest u niet tot last te zijn, en ik zal er ook voor op mijn hoede blijven.

10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, zal deze roem over mij in de streken van Achaje niet tot zwijgen worden gebracht.

11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? God weet dat ik u liefheb!

12Maar wat ik doe, zal ik ook blijven doen, opdat ik elke aanleiding wegneem van hen die een aanleiding zoeken om in datgene waarin zij roemen, aan ons gelijk bevonden te worden.

13Want zulke lieden zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus.

14En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.

15Het is dus niets bijzonders als ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars van gerechtigheid. Hun einde zal zijn overeenkomstig hun werken.

Roemen in veel lijden

16Nogmaals zeg ik: laat niemand denken dat ik dwaas ben. En als u dat toch doet, ontvang mij dan ook maar als een dwaas, zodat ook ik een beetje zou mogen roemen.

17Wat ik nu zeg, zeg ik niet overeenkomstig de wil van de Heere, maar als in dwaasheid, wanneer het gaat om dit punt van roem.11:17 dit punt van roem - Letterlijk: deze vaste grond van roem.

182 Kor. 10:13; 12:5,6Omdat velen roemen naar het vlees, zal ik ook eens roemen.

19Want u verdraagt met genoegen de dwazen; u bent immers zo wijs?

20Want u verdraagt het, als iemand u tot slaven maakt, als iemand u verslindt, als iemand het uwe afneemt, als iemand zich boven u verheft, als iemand u in het gezicht slaat.

21Tot eigen oneer zeg ik: wij zijn zwak geweest. Filipp. 3:4Maar waarin iemand ook durf toont – ik spreek in dwaasheid – daarin toon ook ik durf.

22Zijn zíj Hebreeën? Hand. 22:3Ik ook. Zijn zíj Israëlieten? Ik ook. Zijn zíj nageslacht van Abraham? Ik ook.

23Zijn zíj dienaars van Christus? – ik spreek als een waanzinnige – 1 Kor. 15:10ik sta boven hen; Hand. 9:16; 21:11; 2 Kor. 6:4in ingespannen arbeid veel vaker, in slagen bovenmate, in gevangenissen veel vaker, dikwijls in doodsgevaar.

24Van de Joden heb ik vijfmaal de Deut. 25:3veertig min één zweepslagen ontvangen.

25Hand. 16:22Driemaal ben ik met de roede gegeseld, Hand. 14:19eenmaal ben ik gestenigd, Hand. 27:9,41driemaal heb ik schipbreuk geleden, een heel etmaal heb ik in volle zee doorgebracht.

26Op reis was ik vaak in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar van de kant van volksgenoten, in gevaar van de kant van heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders,

27in inspanning en moeite, vaak in nachten zonder slaap, in honger en dorst, vaak in vasten, in koude en naaktheid.

28Afgezien van wat van buitenaf komt, overvalt mij dagelijks Hand. 20:18de zorg voor alle gemeenten.

291 Kor. 8:13Als iemand zwak is, zou ík dan omwille van hem niet zwak zijn? Struikelt iemand, zou ík dan niet branden van verontwaardiging?

30Als er geroemd moet worden, dan zal ik roemen in mijn zwakheid.11:30 mijn zwakheid - Letterlijk: de dingen van mijn zwakheid.

31Rom. 1:9; 9:1; 2 Kor. 1:23; Gal. 1:20; Filipp. 1:8; 1 Thess. 2:5De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die te prijzen is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.

32In Damascus liet de stadhouder Hand. 9:24van koning Aretas de stad van de Damascenen bewaken, omdat hij mij gevangen wilde nemen;

33en door een venster werd ik in een mand door de muur neergelaten en ontvluchtte zo zijn handen.

SV

11

De valse apostelen

1Och, of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij!

2Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om Lev. 21:13.u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.

3Doch ik vrees, dat niet enigszins, Gen. 3:4. Joh. 8:44.gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.

4Gal. 1:8.Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht.

5Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.

6En indien ik ook slecht ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden.

7Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods 1 Kor. 9:12.om niet verkondigd heb?

8Ik heb andere Gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, Hand. 20:33. 2 Kor. 12:13. 1 Thess. 2:9. 2 Thess. 3:8.ben ik niemand lastig gevallen.

9Filipp. 4:15.Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedónië kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzo houden.

10De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Acháje aan mij niet zal verhinderd worden.

11Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het!

12Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in hetgeen zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.

13Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.

14En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.

15Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.

Lijden van Paulus voor het Evangelie

16Ik zeg wederom, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; doch zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen.

17Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond der roeming.

182 Kor. 10:13. 12:5, 6.Dewijl velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen.

19Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.

20Want gij verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.

21Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; Filipp. 3:4.maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout.

22Zijn zij Hebreeën? Hand. 22:3.Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.

23Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) 1 Kor. 15:10.ik ben boven hen; Hand. 9:16. 21:11. 2 Kor. 6:4.in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal.

24Van de Joden heb ik Deut. 25:3.veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen.

25Hand. 16:22.Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, Hand. 14:19.eens ben ik gestenigd, Hand. 27:9, 41.driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.

26In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders;

27In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.

28Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks Hand. 20:18.de zorg van al de Gemeenten.

291 Kor. 8:13.Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt geërgerd, dat ik niet brande?

30Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid.

31Rom. 1:9. 9:1. 2 Kor. 1:23. Gal. 1:20. Filipp. 1:8. 1 Thess. 2:5.De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.

32De stadhouder Hand. 9:24.van den koning Arétas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen;

33En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen.