2 Korinthe 9
De tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe

HSV

Collecte voor Jeruzalem

1Want het is voor mij niet nodig u te schrijven over Hand. 11:29; Rom. 15:26; 1 Kor. 16:2; 2 Kor. 8:4het dienstbetoon aan de heiligen.

2Want ik weet van uw bereidwilligheid, waarover ik u roem bij de Macedoniërs, namelijk dat Achaje al sinds een jaar gereed is. En uw ijver heeft velen aangestoken.

3Maar ik heb de broeders gestuurd, opdat onze roem over u in dit opzicht niet zonder inhoud zou blijken, opdat u – zoals ik zei – gereed bent;

4opdat niet misschien, als er Macedoniërs met mij meekomen en zij u niet gereed vinden, wij – om niet te zeggen: u – beschaamd worden in dit vertrouwen op onze roem over u.9:4 in dit … over u - Letterlijk: in deze vaste grond van roem.

5Ik achtte het dus nodig de broeders aan te sporen eerst naar u toe te gaan en de eerder door u beloofde zegen vóóraf in gereedheid te brengen, zodat deze gereedligt als een zegen en niet als een gift in gierigheid gegeven.

Gods onuitsprekelijke gave

6En dit zeg ik: Spr. 11:24; Gal. 6:7Wie karig zaait, zal ook karig oogsten; en wie zegenrijk9:6 zegenrijk - Letterlijk: in zegeningen. zaait, zal ook zegenrijk oogsten.

7Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, Deut. 15:7; Rom. 12:8niet met tegenzin of uit dwang, Ex. 25:2; 35:5want God heeft een blijmoedige gever lief.

8En God is bij machte elke vorm van genade overvloedig te maken in u, zodat u, wanneer u in alles altijd al het nodige bezit, overvloedig kunt zijn in elk goed werk.

9Zoals geschreven staat: Ps. 112:9Hij heeft uitgestrooid, hij heeft aan de armen gegeven; zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid.

10Hij nu Die de zaaier zaad verschaft, moge ook brood tot voedsel schenken en uw zaaigoed doen toenemen en de vruchten van uw gerechtigheid vermeerderen.

11Zo zult u in alles rijk worden, in staat tot alle vrijgevigheid, die door middel van ons dankzegging aan God teweegbrengt.

12Want het betonen van deze dienst vult niet alleen de tekorten van de heiligen aan, maar is ook een overvloedige bron van vele dankzeggingen aan God,

13want door dit bewijs van dienstbetoon verheerlijken zij God vanwege de onderdanigheid aan het Evangelie van Christus, overeenkomstig uw belijdenis, en vanwege de gulle handreiking aan hen en aan allen.

14En in hun gebed voor u verlangen zij vurig naar u vanwege de allesovertreffende genade van God over u.

15Ja, God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!

SV

9

1Want Hand. 11:29. Rom. 15:26. 1 Kor. 16:2. 2 Kor. 8:4.van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.

2Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedóniërs, dat Acháje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt.

3Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn;

4En dat niet mogelijk, zo de Macedóniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in dezen vasten grond der roeming.

5Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzo als een zegen, en niet als een vrekheid.

6En dit zeg ik:Spr. 11:24. Gal. 6:7.Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.

7Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; Deut. 15:7. Rom. 12:8.niet uit droefheid, of uit nooddwang; Ex. 25:2. 35:5.want God heeft een blijmoedigen gever lief.

8En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn.

9Gelijk er geschreven is: Ps. 112:9.Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid.

10Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;

11Dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God.

12Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God;

13Dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeling aan hen en aan allen;

14En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u.

15Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.