Handelingen 18
De Handelingen van de heilige apostelen beschreven door Lukas

HSV

Paulus in Korinthe

1En hierna ging Paulus uit Athene weg en kwam in Korinthe.

2En hij trof er een Jood aan van wie de naam Rom. 16:3; 1 Kor. 16:19; 2 Tim. 4:19Aquila was, afkomstig uit Pontus, die onlangs uit Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw (omdat Claudius bevolen had dat al de Joden uit Rome weg moesten gaan) en hij ging naar hen toe.

3En omdat hij hetzelfde beroep uitoefende, bleef hij bij hen en Hand. 20:34; 1 Kor. 4:12; 2 Kor. 11:9; 12:13; 1 Thess. 2:9; 2 Thess. 3:8werkte er; want zij waren tentenmakers van beroep.

4En hij sprak iedere sabbat in de synagoge en probeerde Joden en Grieken te overtuigen.

5En nadat Silas en Timotheüs Hand. 17:15uit Macedonië gekomen waren, werd Paulus er door de Geest toe aangezet tegenover de Joden te getuigen dat Jezus de Christus is.

6Maar toen zij zich verzetten en lasterden, schudde hij het stof van zijn Matt. 10:14; Hand. 13:51kleren en zei tegen hen: Uw bloed zij op uw hoofd, ik ben rein; vanaf nu zal ik naar de heidenen gaan.

7En hij vertrok vandaar en kwam in het huis van iemand met de naam Justus, die God diende en van wie het huis aan de synagoge grensde.

81 Kor. 1:14En Crispus, het hoofd van de synagoge, geloofde met heel zijn huis in de Heere; en velen van de Korinthiërs die Paulus hoorden, geloofden en werden gedoopt.

9Hand. 23:11En de Heere zei 's nachts door een visioen tegen Paulus: Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet,

10want Ik ben met u en niemand zal de hand aan u slaan om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad.

11En hij verbleef daar een jaar en zes maanden en gaf in hun midden onderwijs in het Woord van God.

12Maar toen Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eensgezind tegen Paulus op en brachten hem voor de rechterstoel.

13Zij zeiden: Deze man haalt de mensen over om God te dienen in strijd met de wet.

14Maar toen Paulus zijn mond wilde openen, zei Gallio tegen de Joden: Hand. 25:11Als er een of ander onrecht of een misdrijf begaan was, o Joden, dan zou ik u met reden verdragen;

15maar als er een geschilpunt is over een woord, over namen en over de wet die onder u geldt, dan moet u het zelf maar zien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.

16En hij joeg hen van de rechterstoel weg.

17Toen grepen alle Grieken Sosthenes, het hoofd van de synagoge, en sloegen hem vóór de rechterstoel. Gallio trok zich echter niets van deze dingen aan.

Paulus' terugkeer over Efeze naar Jeruzalem

18En toen Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders en vertrok vandaar per schip, in gezelschap van Priscilla en Aquila, naar Syrië, nadat hij zijn hoofd in Kenchreeën Num. 6:18; Hand. 21:23kaalgeschoren had. Hij had namelijk een gelofte gedaan.

19En hij kwam in Efeze aan en liet hen daar achter; maar zelf ging hij de synagoge binnen en ging in gesprek met de Joden.

20En toen zij hem vroegen langere tijd bij hen te blijven, stemde hij daar niet in toe.

21Maar hij nam afscheid van hen en zei: Ik moet beslist het komende feest in Jeruzalem vieren, maar ik zal bij u terugkeren, 1 Kor. 4:19; Hebr. 6:3; Jak. 4:15als God het wil. En hij voer weg uit Efeze.

22En toen hij in Caesarea aangekomen was, ging hij naar Jeruzalem, en na de gemeente gegroet te hebben, ging hij naar Antiochië.

23En nadat hij daar enige tijd geweest was, vertrok hij en reisde vervolgens door het land van Galatië en Frygië en hij versterkte alle discipelen.

Apollos in Efeze en in Korinthe

24En een zekere Jood, van wie de naam 1 Kor. 1:12Apollos was, een Alexandriër van afkomst, een welsprekend man, die kundig was op het gebied van de Schriften, kwam in Efeze aan.

25Deze was in de weg van de Heere onderwezen en, omdat hij vurig van geest was, sprak en onderwees hij nauwkeurig de zaken van de Heere, maar hij wist alleen van de doop van Johannes.

26En hij begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En toen Aquila en Priscilla hem gehoord hadden, namen zij hem apart en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit.

27En toen hij naar Achaje wilde reizen, bemoedigden de broeders hem en schreven aan de discipelen dat zij hem moesten ontvangen. En toen hij daar gekomen was, 1 Kor. 3:6bood hij veel hulp aan hen die door de genade geloofden;

28want hij bestreed de Joden krachtig in het openbaar door uit de Schriften te bewijzen dat Jezus de Christus is.

18

Paulus te Korinthe

1En na dezen scheidde Paulus van Athéne en kwam te Korinthe;

2En vond een zekeren Jood, met name Rom. 16:3. 1 Kor. 16:19. 2 Tim. 4:19.Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;

3En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en Hand. 20:34. 1 Kor. 4:12. 2 Kor. 11:9. 12:13. 1 Thess. 2:9. 2 Thess. 3:8.wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk.

4En hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.

5En als Silas en Timótheüs Hand. 17:15.van Macedónië afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden, dat Jezus is de Christus.

6Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij Matt. 10:14. Hand. 13:51.zijn klederen af, en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.

7En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge.

81 Kor. 1:14.En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan den Heere met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt.

9Hand. 23:11.En de Heere zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet.

10Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad.

11En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods.

12Maar als Gallio stadhouder van Acháje was, stonden de Joden eendrachtelijk tegen Paulus op, en brachten hem voor den rechterstoel,

13Zeggende: Deze raadt den mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet.

14En als Paulus zijn mond zou opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Hand. 25:11.Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk begaan ware, o Joden, zo zou ik met reden ulieden verdragen;

15Maar indien er geschil is over een woord, en namen, en over de wet, die onder u is, zo zult gij zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.

16En hij dreef hen weg van den rechterstoel.

17Maar al de Grieken namen Sósthenes, den overste der synagoge, en sloegen hem voor den rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan.

Paulus' terugkeer over Éfeze naar Jeruzalem

18En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreeën Num. 6:18. Hand. 21:23.geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.

19En hij kwam te Éfeze aan, en liet hen aldaar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden.

20En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zoude, bewilligde hij het niet.

21Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, 1 Kor. 4:19. Hebr. 6:3. Jak. 4:15.zo God wil. En hij voer weg van Éfeze.

22En als hij te Cesaréa was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochíë.

23En als hij aldaar enigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galátië en Frygië, versterkende al de discipelen.

Apollos te Éfeze en te Korinthe

24En een zeker Jood, met name 1 Kor. 1:12.Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Éfeze, machtig zijnde in de Schriften.

25Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk den doop van Johannes.

26En deze begon vrijmoediglijk te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem den weg Gods bescheidenlijker uit.

27En als hij wilde naar Acháje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; welke, daar gekomen zijnde, 1 Kor. 3:6.heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade.

28Want hij overtuigde de Joden met groten ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was.