Job 40
Het boek Job

HSV

Job opnieuw door God bestraft

1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:

2Omgord nu als een man uw heupen,

dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:

3Wilt u ook Ps. 51:6; Rom. 3:4Mijn recht vernietigen?

Wilt u Mij schuldig verklaren, opdat u zelf rechtvaardig bent?

4Hebt u een arm zoals God?

En kunt u, zoals Hij, met uw stem donderen?

5Tooi u nu met heerlijkheid en hoogheid,

en bekleed u met majesteit en glorie.In the eerste edities van de HSV is hier het woord “trots” te lezen. In verband met de consistentie en het zinsverband zou dit eigenlijk vernaderd moeten worden in “majesteit”. Dit woord treffen we echter al in de volgende regel aan, als de vertaling van een ander grondwoord. Om deze reden zal in een later uitgave van de HSV voor “heerlijkheid” gekozen worden.

6Verspreid de verbolgenheden van uw toorn,

en zie elke hoogmoedige en verneder hem.

7Zie elke hoogmoedige en onderwerp hem,

en verpletter de goddelozen op hun plaats.

8Verberg hen tezamen in het stof;

omwikkel hun gezichten in het verborgene.

9Dan zal ook Ik u prijzen,

omdat uw rechterhand u verlost heeft.

De Behemoth

10Zie toch, de Behemoth, die Ik gemaakt heb, evenals u,

hij eet gras zoals een rund.

11Zie toch zijn kracht in zijn lendenen,

en zijn sterkte in de spieren van zijn buik.

12Als hij wil, is zijn staart als een ceder;

de pezen van zijn dijen zijn samengevlochten.

13Zijn beenderen zijn als staven brons;

zijn gebeente is als ijzeren stangen.

14Hij is de voornaamste van Gods werken;40:14 werken - Letterlijk: wegen.

Hij Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard verschaft.

15De bergen brengen immers voedsel voor hem voort,

en alle dieren van het veld spelen daar.

16Hij legt zich te slapen onder schaduwrijke bomen,

in een schuilplaats van riet en moeras.

17De schaduwrijke bomen bedekken hem elk met zijn schaduw;

de wilgen van de beek omringen hem.

18Zie, als de rivier wild wordt, beeft hij niet;

hij blijft kalm wanneer de Jordaan opbruist tegen zijn bek.

19Kan iemand hem bij zijn ogen vangen?

Kan iemand hem met strikken de neus doorboren?

De Leviathan

20Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken,

of zijn tong met een touw neerdrukken?

21Kunt u een riet door zijn neus steken,

of met een doorn zijn kaak doorboren?

22Zal hij u talrijke smeekbeden doen?

Zal hij zachte dingen tegen u spreken?

23Zal hij een verbond met u sluiten?

Kunt u hem aannemen als een eeuwige slaaf?

24Kunt u met hem spelen als met een vogeltje?

Of hem vastbinden voor uw meisjes?

25Kunnen de handelaars hem verkopen?

Kunnen zij hem verdelen onder de kooplieden?

26Kunt u zijn huid volsteken met speren,

of zijn kop met een visharpoen?

27Leg uw hand maar eens op hem;

denk aan de strijd, doe het niet meer.

28Zie, de hoop hem te overmeesteren, zal een leugen blijken;

reeds bij zijn aanblik wordt men neergeworpen.

SV

40

Job weder door God bestraft

1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

3Zult gij ook Ps. 51:6. Rom. 3:4.Mijn oordeel te niet maken? Zult gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

10Zie nu Behémoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.

11Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.

12Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.

13Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.

14Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.

15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

21Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?

22Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?

23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?

24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?

25Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?

26Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?

27Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.

28Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?