Kolossenzen 4
DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS AAN DE KOLOSSENZEN

HSV

1Efez. 6:9Heren, behandel uw slaven rechtvaardig en op gelijke wijze. U weet immers dat ook u een Heere hebt in de hemelen.

Volharding in het gebed; getuigenis naar buiten

2Luk. 18:1; Rom. 12:12; Efez. 6:18; 1 Thess. 5:17Houd sterk aan in het gebed, en wees daarin waakzaam met dankzegging.

3Bid meteen ook voor ons dat God voor ons de deur van het Woord opent, Efez. 6:19; 2 Thess. 3:1om van het geheimenis van Christus te spreken, om welke oorzaak ik ook gebonden ben,

4opdat ik dit geheimenis mag openbaren zoals ik erover moet spreken.

5Efez. 5:15Wandel met wijsheid bij hen die buiten zijn, Efez. 5:16en buit de geschikte tijd uit.Dat wil zeggen: die buiten de Christelijke gemeente staan.

6Mark. 9:50Laat uw woord altijd aangenaam zijn, met zout smakelijk gemaakt, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden.

Zending van Tychikus en Onesimus

7Al mijn omstandigheden zal Hand. 20:4; Efez. 6:21; 2 Tim. 4:12Tychikus, de geliefde broeder, trouwe dienaar en mededienstknecht in de Heere, u bekendmaken.

8Hem heb ik met dit doel naar u toe gestuurd, opdat hij uw omstandigheden zou kennen en uw hart zou bemoedigen,

9met Filem. vs. 10Onesimus, de trouwe en geliefde broeder, die er een van u is; zij zullen u alles bekendmaken wat hier gebeurt.

Groeten van en aan medewerkers; zegen

10Hand. 27:2Aristarchus, mijn medegevangene, groet u, en Hand. 15:37; 2 Tim. 4:11Markus, de neef van Barnabas, over wie u opdrachten ontvangen hebt – als hij bij u komt, ontvang hem dan

11en Jezus, die Justus genoemd wordt. Zij zijn de enigen van de besnijdenis die mijn medearbeiders zijn in het Koninkrijk van God; zij zijn mij ook een vertroosting geweest.Dat wil zeggen: van Joodse afkomst.

12Kol. 1:7; Filem. vs. 23Epafras groet u, die er een van u is, een dienstknecht van Christus, die altijd voor u strijdt in de gebeden, opdat u, volmaakt en volkomen, vaststaat in heel de wil van God.

13Want ik getuig van hem dat hij een grote ijver heeft voor u en voor hen die in Laodicea zijn, alsook voor hen die in Hiërapolis zijn.

142 Tim. 4:11Lukas, de arts, de geliefde, groet u, en 2 Tim. 4:10Demas.

15Groet de broeders die in Laodicea zijn, en Nymfas en de gemeente in zijn huis.

16En wanneer deze brief door u gelezen zal zijn, zorg er dan voor dat hij ook in de gemeente van de Laodicenzen gelezen wordt, en dat ook u die uit Laodicea leest.

17En zeg tegen Archippus: Let op de bediening die u aangenomen hebt in de Heere, dat u die vervult.

182 Thess. 3:17Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Hebr. 13:3Denk aan mijn gevangenschap.4:18 gevangenschap - Letterlijk: boeien. De genade zij met u. Amen.

SV

4

Vermaning tot gebed en wijsheid

1Gij Efez. 6:9.heren, doet uw dienstknechten recht en gelijk, wetende, dat ook gij een Heere hebt in de hemelen.

2Luk. 18:1. Rom. 12:12. Efez. 6:18. 1 Thess. 5:17.Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging;

3Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, Efez. 6:19. 2 Thess. 3:1.om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben;

4Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk ik moet spreken.

5Efez. 5:15.Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, Efez. 5:16.den bekwamen tijd uitkopende.

6Mark. 9:50.Uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden.

Zending van Tychikus en Onésimus

7Al mijn zaken zal u bekend maken Hand. 20:4. Efez. 6:21. 2 Tim. 4:12.Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in den Heere;

8Denwelken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uw zaken wete, en uw harten vertrooste;

9Met Filem. vs. 10.Onésimus, den getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is.

Groeten, opdracht en besluit

10U groet Hand. 27:2.Aristarchus, mijn medegevangene; en Hand. 15:37. 2 Tim. 4:11.Markus, de neef van Bárnabas, aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem;

11En Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn; deze alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn.

12U groet Kol. 1:7. Filem. vs. 23.Épafras, die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus, te allen tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil van God.

13Want ik geef hem getuigenis, dat hij groten ijver heeft over u en degenen, die in Laodicéa zijn, en degenen, die in Hierápolis zijn.

14U groet 2 Tim. 4:11.Lukas, de medicijnmeester, de geliefde, en 2 Tim. 4:10.Démas.

15Groet de broeders, die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de Gemeente, die in zijn huis is.

16En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij ook in de gemeente der Laodicenzen gelezen worde, en dat ook gij dien leest, die uit Laodicéa geschreven is.

17En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij die vervult.

182 Thess. 3:17.De groetenis met mijn hand, van Paulus. Hebr. 13:3.Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen.