Mattheüs 7
Het heilig evangelie naar de beschrijving van Mattheüs

HSV

De splinter en de balk

1Oordeel Luk. 6:37; Rom. 2:1; 1 Kor. 4:3,5niet, opdat u niet geoordeeld wordt;

2Mark. 4:24; Luk. 6:38want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.

3Luk. 6:41,42Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op?

4Of, hoe zult u tegen uw broeder zeggen: Laat toe dat ik de splinter uit uw oog haal; en zie, er is een balk in uw eigen oog?

5Spr. 18:17Huichelaar, haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder te halen.

6Spr. 9:8; 23:9Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren.

Gebedsverhoring

7Bid, Matt. 21:22; Mark. 11:24; Luk. 11:9; Joh. 14:13; 16:24; Jak. 1:5,6; 1 Joh. 3:22; 5:14en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.

8Spr. 8:17; Jer. 29:12Want ieder die bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en voor wie klopt zal opengedaan worden.

9Of is er iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven, als hij om brood vraagt?

10Of als hij hem om een vis vraagt, zal hij hem een slang geven?

11Als u, Gen. 6:5; 8:21die slecht bent, uw kinderen dan goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven aan hen die tot Hem bidden.

12Luk. 6:31Alles dan wat u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo, want dat is de Wet en de Profeten.

De nauwe poort

13Luk. 13:24Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan;

14Hand. 14:22maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.

De boom en zijn vruchten

15Deut. 13:3; Jer. 23:16; Matt. 24:4; Rom. 16:17; Efez. 5:6; Kol. 2:8; 1 Joh. 4:1Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in schapenvacht naar u toe komen maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.

16Aan hun vruchten zult u hen herkennen. Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels?

17Matt. 3:10; 12:33; Mark. 11:13; Luk. 8:8Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort.

18Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.

19Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.

20Zo zult u hen dus aan hun vruchten herkennen.

21Matt. 25:11; Luk. 6:46; 13:25; Hand. 19:13; Rom. 2:13; Jak. 1:22Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

22Jer. 14:14; 27:15; Luk. 13:26Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgedreven, en in Uw Naam veel krachten gedaan?Demonen: Er zijn in het Grieks twee verschillende woorden die in de SV allebei met duivel zijn vertaald zodat het onderlinge verschil niet meer zichtbaar is. Dat is in dit geval een gemis, omdat het verschil in betekenis tussen de twee betreffende termen niet zonder relevantie is. Het Griekse diabolos verwijst namelijk naar de duivel zelf, terwijl het woord daimoon betrekking heeft op een engel van de duivel. Vandaar dat besloten is om het eerste woord met duivel te vertalen en het tweede met demon.

23Ps. 6:9; Matt. 25:12; Luk. 13:25,27Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; Matt. 25:41; Luk. 13:25,27ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt!

De wijze en de dwaze bouwer

24Jer. 17:8; Luk. 6:47; Rom. 2:13; Jak. 1:25Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;

25en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.

26Ezech. 13:11; Rom. 2:13; Jak. 1:23En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;

27en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

28Toen Jezus deze woorden had geëindigd, gebeurde het dat de menigte versteld stond van Zijn onderricht,

29Mark. 1:22; 6:2; Luk. 4:32want Hij onderwees hen als gezaghebbende en niet zoals de schriftgeleerden.

SV

7

Oordelen en bidden

1Oordeelt Luk. 6:37. Rom. 2:1. 1 Kor. 4:3, 5.niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

2Mark. 4:24. Luk. 6:38.Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.

3Luk. 6:41, 42.En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?

4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?

5Spr. 18:17.Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

6Spr. 9:8. 23:9.Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.

7Bidt, Matt. 21:22. Mark. 11:24. Luk. 11:9. Joh. 14:13. 16:24. Jak. 1:5, 6. 1 Joh. 3:22. 5:14.en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

8Spr. 8:17. Jer. 29:12.Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

9Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?

10En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?

11Indien dan gij, Gen. 6:5. 8:21.die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!

12Luk. 6:31.Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.

De smalle weg

13Luk. 13:24.Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;

14Hand. 14:22.Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

15Deut. 13:3. Jer. 23:16. Matt. 24:4. Rom. 16:17. Efez. 5:6. Kol. 2:8. 1 Joh. 4:1.Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.

16Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?

17Matt. 3:10. 12:33. Mark. 11:13. Luk. 8:8.Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.

18Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.

19Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

20Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.

21Matt. 25:11. Luk. 6:46. 13:25. Hand. 19:13. Rom. 2:13. Jak. 1:22.Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.

22Jer. 14:14. 27:15. Luk. 13:26.Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?

23Ps. 6:9. Matt. 25:12. Luk. 13:25, 27.En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; Matt. 25:41. Luk. 13:25, 27.gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!

Het huis op de rots

24Jer. 17:8. Luk. 6:47. Rom. 2:13. Jak. 1:25.Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;

25En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.

26Ezech. 13:11. Rom. 2:13. Jak. 1:23.En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;

27En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.

28En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer;

29Mark. 1:22. 6:2. Luk. 4:32.Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de schriftgeleerden.