Spreuken 25
Het boek Spreuken

HSV

Het loon van de wijsheid

1Ook dit zijn spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben overgeschreven.

2Het is Gods eer een Rom. 11:33zaak verborgen te houden,

maar de eer van koningen een zaak te doorgronden.

3De hoogte van de hemel, de diepte van de aarde

en het hart van de koningen zijn niet te doorgronden.

4Doe het schuim van het zilver weg,

en er zal een voorwerp voor de edelsmid uit komen.

5Spr. 20:8Doe een goddeloze weg van voor de ogen van een koning,

en Spr. 20:28zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

6Praal niet voor de ogen van een koning

en ga niet staan op de plaats van groten,

7want het is beter dat men tegen u zegt: Luk. 14:7,8,9 enz.Kom hier hogerop,

dan dat men u vernedert voor de ogen van een edele,

die uw ogen gezien hebben.

8Spr. 18:17Ga er niet te snel opuit om iemand aan te klagen.

Wat zult u anders uiteindelijk doen,

wanneer uw naaste u te schande maakt?

9Voer uw rechtszaak met uw naaste,

maar maak het geheim van een ander niet openbaar,

10anders zou hij die het hoort, u kunnen smaden,

en zou het kwaad gerucht over u niet te keren zijn.

11Een woord op het juiste moment gesproken,

is als gouden appels in zilveren schalen.

12Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud,

zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor.

13Zoals de koelte van sneeuw op de dag van de oogst,

zo is Spr. 13:17een betrouwbare gezant voor zijn zenders,

hij verkwikt de ziel van zijn meester.

14Zoals wolken en wind zonder regen,

zo is iemand die zich beroemt op een valse gift.

15Met geduld wordt Spr. 15:1; 16:14een leider overgehaald,

en een zachte tong kan beenderen breken.Het begrip “lankmoedig” is zo verouderd dat niemand meer goed weet wat het betekent. Het gevolg is dat mensen betekenissen aan het woord gaan toekennen die het feitelijk niet bezit. Het Hebreeuwse grondwoord zou heel letterlijk vertaald kunnen worden met “lang van neusgaten”. In het Hebreeuwse taaleigen is er echter een verband tussen de neus en boosheid. Een iets vrijere vertaling is dan ook “traag tot toorn”. Het wordt zowel voor mensen (Spr 14:29) als voor God (Ex 34:6) gebruikt. Het is dus niet vol te houden dat het hier alleen om een goddelijke eigenschap zou gaan. Eén van de critici is van mening dat het woord “lankmoedig” in de Middeleeuwen nog niet bestond, en speciaal bedacht is ten dienste van de prediking van het Woord. Dat is echter onjuist. Het Nederlandse “lankmoedig” is weliswaar ontleend aan het Latijnse “longanimis”, dat vooral in Christelijk-Latijnse literatuur voorkomt (mogelijk een letterlijke vertaling van het Griekse “makrothumia”), maar alle handboeken geven aan dat dit woord in de Middeleeuwen reeds volop voorkwam, in de vorm van “lancmoedich” en “lancmoedicheit”. Dit woord is echter sterk verouderd en komt buiten de Bijbel steeds minder voor. Bovendien is er een uitstekend alternatief: “geduldig”. Dat “lankmoedig” een diepere lading zou hebben dan “geduldig”, spreken wij tegen.

16Hebt u honing gevonden, eet dan tot u genoeg hebt,

anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit.

17Zet uw voet niet te dikwijls25:17 Zet uw voet niet te dikwijls - Letterlijk: laat uw voet kostelijk zijn. in het huis van uw naaste,

anders zou hij genoeg van u krijgen en u gaan haten.

18Zoals Ps. 11:2; 57:5; 59:8; 120:4; Spr. 12:18een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl,

zo is iemand die tegen zijn naaste een vals getuigenis aflegt.

19Zoals een gebroken tand en een verstuikte voet,

zo is het vertrouwen op een trouweloze in de dag van benauwdheid.

20Rom. 12:15Wie liederen zingt bij een treurig25:20 treurig - Letterlijk: kwaad. hart,

is als wie kleren uittrekt op een koude dag en zure wijn doet op loog.

21Rom. 12:20Als iemand Ex. 23:4,5die u haat, hongerlijdt, geef hem brood te eten,

en als hij dorstig is, geef hem water te drinken,

22want zo zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen,

en de HEERE zal het u vergelden.

23De noordenwind brengt regen voort

en een achterbakse tong toornige gezichten.

24Spr. 21:9,19Het is beter te wonen op een hoek van een dak,

dan in een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.

25Zoals koud water op een vermoeide ziel,

zo is een goed bericht uit een ver land.

26Zoals een vervuilde bron en een verdorven fontein,

zo is een rechtvaardige die voor de ogen van een goddeloze wankelt.

27Veel honing eten is niet goed,

maar het onderzoeken van gewichtige dingen is een eer.

28Zoals een opengebroken stad zonder muur,

zo is Spr. 16:32een man die zijn geest niet in bedwang houdt.

SV

25

Het loon der wijsheid

1Dit zijn ook spreuken van Sálomo, die de mannen van Hizkía, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.

2Het is Gods eer een Rom. 11:33.zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.

3Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.

4Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;

5Spr. 20:8.Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en Spr. 20:28.zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

7Want het is beter, dat men tot u zegge: Luk. 14:7, 8, 9 enz.Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

8Spr. 18:17.Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

9Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;

10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.

12Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.

13Spr. 13:17.Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.

14Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.

15Spr. 15:1. 16:14.Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.

17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

18Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is Ps. 11:2. 57:5. 59:8. 120:4. Spr. 12:18.een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.

19Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.

20Rom. 12:15.Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en als edik op salpeter.

21Rom. 12:20.Indien dengene, Ex. 23:4, 5.die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;

22Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.

23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.

24Spr. 21:9, 19.Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

25Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.

26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.

27Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.

28Spr. 16:32.Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.