12 mei 2019

Terwijl de koning in het winterpaleis zat – het was de negende maand – met vóór hem een brandend kolenbekken, gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, dat de koning ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was.
Jeremia 36:22-23
De boekrol wordt verbrand
We worden in de tijd weer teruggeplaatst naar de tijd van koning Jojakim. De HEERE geeft opdracht om alle woorden die de HEERE tot dan toe tot Jeremia gesproken heeft, op te schrijven op een boekrol. Jeremia gebruikt Baruch als schrijver hiervoor. In het achttiende vers vertelt Baruch hoe dat is gegaan. Jeremia deelde aan Baruch al deze woorden mee, terwijl Baruch ze met inkt op de boekrol schreef. Als de vorsten de profetie van de verwoesting van Jeruzalem en de wegvoering naar Babel horen, gaan ze naar de koning om de inhoud van de boekrol bekend te maken. De boekrol wordt voorgelezen. En dan gebeurt het verschrikkelijke. Met grote verachting snijdt koning Jojakim de boekrol in stukken en gooit die in het vuur. Het Woord van God is een tweesnijdend scherp zwaard: of we buigen daarvoor in ootmoed en bekering, of we verharden ons en doen het weg uit ons leven.
Wie na bestraffing halsstarrig is, zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn.